Ontslag op staande voet op grond van de CAO geldig?

dinsdag, 31 augustus 2010

Kunnen partijen vooraf overeenkomen wat als een geldige reden voor ontslag op staande voet wordt aangemerkt? Die vraag wordt beantwoord in het arrest van het Hof Amsterdam van 6 oktober 2009. Werkgever ontslaat werknemer op staande voet vanwege het intrekken van de zogenaamde “Schipholpas”, die nodig is voor de uitvoering van zijn functie. Het intrekken van de Schipholpas wordt in de toepasselijke CAO aangemerkt als dringende reden voor ontslag.

Hof Amsterdam oordeelt dat de redenen die partijen vooraf hebben aangemerkt als dringende redenen, niet automatisch leiden tot een geldig ontslag op staande voet.
De rechter zal alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in zijn beoordeling betrekken. In het arrest in de zaak van het Hof te Amsterdam van 6 oktober 2009 wordt het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig geacht. Immers, werkgever heeft niet aangetoond waarom de werknemer niet op een andere werkplek binnen Schiphol herplaatst had kunnen worden, waar de Schipholpas niet vereist was. Uit het onderstaande blijkt weer het belang van een goede, feitelijke, ontslag op staande voetbrief.

In deze zaak wordt werknemer verdacht van diefstal van goederen. Werknemer is werkzaam in een vertrouwensfunctie in de zin van de Wet veiligheidsonderzoek. Na verdenkingen jegens de werknemer trekt de Koninklijke Marechaussee de voor die vertrouwensfunctie nodige licentie (Schipholpas) in. Werkgever ontslaat werknemer op staande voet op grond van artikel 4.6 van haar CAO. Artikel 4.6 van de CAO stelt dat intrekking en/of weigering van de voor de functie uitoefening benodigde Schipholpas een dringende reden is voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Werkgever heeft niet de verdenking van diefstal van goederen ten grondslag gelegd aan het ontslag op staande voet, maar slechts het intrekken van de Schipholpas.

De Kantonrechter overweegt o.a. dat het intrekken van de Schipholpas geen dringende reden oplevert, omdat de intrekking van de Schipholpas geen “daad, eigenschap of gedraging van de werknemer zelf is”. Werkgever gaat hiervan in hoger beroep.

Het Hof Amsterdam overweegt dat aan het intrekken van de Schipholpas wel een gedraging van de werknemer zelf ten grondslag lag. De verdenking van diefstal heeft immers geleid tot het onderzoek dat uiteindelijk heeft geresulteerd in de intrekking van de Schipholpas. Dat zou de werknemer ook duidelijk moeten zijn geweest uit de ontslagbrief. Het feit dat in de CAO is bepaald dat het intrekken van de Schipholpas een reden is voor ontslag op staande voet, brengt volgens het Hof niet automatisch mee dat ontslag op staande voet in een dergelijk geval ook rechtsgeldig is. Werkgever heeft namelijk niet duidelijk gemaakt waarom werknemer niet elders binnen Schiphol te werk kon worden gesteld waar geen Schipholpas verlangd werd. Echter, wanneer de verdenking van de diefstal als zelfstandige ontslaggrond in de ontslagbrief was opgenomen, had het Hof mogelijk geaccepteerd dat er daarom van werkgever niet kon worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Conclusie

Uit dit arrest van het Hof Amsterdam blijkt:

  1. dat het vooraf overeenkomen van de redenen van ontslag op staande voet een rol kan spelen bij de beoordeling of een ontslag op staande voet stand houdt. Indien een ontslag op staande voet gebaseerd is op een vooraf overeengekomen dringende reden, kan dit zijn zaak versterken.
  2. dit arrest van het Hof Amsterdam onderstreept het belang van de inhoud van de ontslagbrief.