Onrechtmatige staatssteun: Nederland moet een bedrag van 76,327 miljoen euro van de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) terugvorderen

donderdag, 16 december 2010

Een bedrag van ruim 76 miljoen dat de NOS van de Nederlandse Staat heeft ontvangen, was ongeoorloofde staatssteun. Het Europees Hof van Justitie heeft dat donderdag 16 december jl. bepaald. Volgens het hof moet de Staat het geld terugvorderen, vermeerderd met de rente.

Naast commerciële omroepen zijn op de Nederlandse markt meerdere publieke omroepen actief. Van deze laatste vervult de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) een dubbele rol. Zij is in de eerste plaats een publieke omroep die onder de naam NOS RTV opereert. Daarnaast is haar bestuur, dat onder de naam Publieke Omroep (PO) opereert, belast met de coördinatie van het gehele publiekeomroepbestel.

De voornaamste financieringsbronnen van de publieke omroepen, de NOS in haar beide functies daaronder begrepen, zijn de betalingen die jaarlijks van de Staat worden ontvangen. Teneinde budgettaire schommelingen op te vangen, mogen de publieke omroepen reserves aanhouden. Sinds 1994 ontvangen de publieke omroepen daarnaast ad-hocbetalingen.

Na in 2002 en 2003 klachten te hebben ontvangen van onder meer Nederlandse commerciële omroepen, waarin werd gesteld dat het financieringsstelsel voor de Nederlandse publieke omroepen met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun opleverde, heeft de Commissie een onderzoek ingesteld.

In haar beschikking 2008/136/EG van 22 juni 2006 heeft de Commissie geconcludeerd dat de ad-hocbetalingen staatssteun vormden. Die betalingen vormden nieuwe steun, die bij haar had moeten worden aangemeld. De Commissie stelde vast dat sommige publieke omroepen te veel compensatie hadden ontvangen, die over het algemeen naar hun programmareserves was overgeboekt, maar beschouwde die staatssteun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor zover het overschot werd aangehouden in een reserve voor speciale doeleinden die niet meer dan 10 % van de jaarlijkse begroting van de omroep bedroeg. Voor zover een deel van de programmareserves in 2005 naar de PO was overgemaakt, heeft de Commissie ook deze overmaking, waardoor de overcompensatie was gestegen, als ad-hocbetaling aangemerkt.

Volgens de Commissie was die ad-hocstaatssteun die aan de NOS in haar functie van PO voor haar openbaredienstverplichting in het Nederlandse publiekeomroepbestel was toegekend onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, zodat zij van de NOS moest worden teruggevorderd. De terug te vorderen steun bedroeg 76,327 miljoen euro, vermeerderd met interessen.

Op 30 augustus en 4 september 2006 hebben Nederland en de NOS bij het Gerecht beroepen ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie.

Tot staving van hun beroepen voeren zij onder meer aan dat de rechten van de verdediging zijn geschonden, dat de ad-hocbetalingen ten onrechte als nieuwe steun zijn aangemerkt en dat de berekening van de beweerde overcompensatie onjuistheden bevat .

Zie het gehele persbericht van het Gerechtshof: http://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2010-12/cp100122nl.pdf