Oneerlijke handelspraktijken bij de uitvoering van consumentenovereenkomsten

donderdag, 27 juli 2017

Art. 6:193b Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een handelaar onrechtmatig handelt jegens een consument als hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.

Wat is een handelspraktijk? Een handelspraktijk is volgens art. 6:193a Burgerlijk Wetboek “iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”. Deze definitie is afkomstig uit de Europese richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

De definitie van de term ‘handelspraktijk’ is onderwerp geweest van een prejudiciële vraag, die een Litouwse rechter heeft gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Het betrof de volgende zaak. Een aantal banken had haar vorderingen uit consumentenkredieten overgedragen aan een incassobedrijf. Het incassobedrijf had op basis van de cessieovereenkomsten vorderingen ingeleid tegen kredietnemers, in sommige gevallen parallel met procedures van gedwongen invordering die gerechtsdeurwaarders voerden op basis van definitieve rechterlijke beslissingen. De bevoegde autoriteit kwam tot de conclusie dat het incassobedrijf het nationale verbod op oneerlijke handelspraktijken had overtreden en legde het bedrijf een boete op van bijna 3500 euro. Het incassobedrijf ging van deze beslissing in beroep bij de Litouwse rechtbank en van het vonnis van de Litouwse rechtbank in beroep bij de hoogste bestuursrechter in Litouwen. De Litouwse bestuursrechter legde aan het Hof van Justitie de vraag voor of de Europese richtlijn oneerlijke handelspraktijken ook zag op dit soort handelingen. Het Hof van Justitie besliste op 20 juli jl. (ECLI:EU:C:2017:573) dat de uitdrukking “die rechtstreeks verband houdt met de verkoop van een product”  niet alleen alle maatregelen omvat die in verband met de sluiting van een contract worden genomen, maar ook die welke in verband met de uitvoering daarvan worden genomen, met name de maatregelen om de betaling van het product te verkrijgen.” De activiteiten van schuldinvordering kunnen naar het oordeel van het hof worden beschouwd als een ‘product’  in de zin van art. 2 Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

Dit arrest van het Hof van Justitie is in ieder geval van belang voor alle ondernemingen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de inning van vorderingen op consumenten. Wij denken daarbij aan incassobureaus, gerechtsdeurwaarders, maar bijvoorbeeld ook aan factoringmaatschappijen. Als bijvoorbeeld een incassobureau een consument vraagt om onmiddellijke betaling van een product, waar de consument niet om heeft gevraagd, is er mogelijk sprake van een agressieve handelspraktijk als bedoeld in art. 6:193i onderdeel f Burgerlijk Wetboek, die leidt tot een schadevergoedingsverplichting tegenover de consument.

Het arrest van het Hof van Justitie kan echter ook ruimer uitgelegd worden in die zin dat de regelgeving met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken niet alleen van toepassing is op het gedrag voorafgaande aan  het sluiten van de overeenkomst maar ook op alle maatregelen die worden genomen in verband met de uitvoering daarvan. Als dat zo is, zou bijvoorbeeld een reisorganisatie onder omstandigheden een oneerlijke handelspraktijk kunnen verrichten als zij bij overboeking van een hotel aan een toerist een ander hotel aanbiedt onder de voorwaarde dat hij een schriftelijke overeenkomst ondertekent waarin hij afstand doet van al zijn rechten jegens de reisorganisatie. Een ander voorbeeld. Een consument beklaagt zich over de kwaliteit van een financieel advies. Hij zegt door dat advies een schade te hebben geleden van duizend euro. De medewerker die het advies heeft gegeven, vraagt de consument akkoord te gaan met een schadevergoeding van honderd euro, waarbij hij zegt dat hij ontslagen zal worden als zijn baas hoort van de klacht. Dit is mogelijk een agressieve handelspraktijk als bedoeld in art. 6:193i onderdeel g Burgerlijk Wetboek.

Wat zijn de gevolgen? Die zijn geregeld in art. 6:193 j Burgerlijk wetboek. Ten eerste kan de consument bij een oneerlijke handelspraktijk vergoeding eisen van de schade die hij daardoor heeft geleden. Ten tweede kan hij de overeenkomst die hij als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk heeft gesloten, vernietigen.