Oneerlijke concurrentie door overheid blijft probleem

dinsdag, 10 maart 2015

In 2015 evalueert het ministerie van Economische Zaken de werking van de Wet markt en overheid uit 2011. Die moest ervoor zorgen dat overheden eerlijker gingen concurreren met het bedrijfsleven. De ACM heeft ten behoeve van deze evaluatie steekproeven verricht naar drie deelsectoren (sporthallen, bedrijfsafval en parkeergarages). Uit de steekproeven blijkt dat de wet niet effectief is en geen verbetering heeft gebracht.

De Wet markt en overheid bestaat in essentie uit vier gedragsregels, die voor de hele overheid opgeld doen:

  • Kostendoorberekening Overheden moeten in ieder geval alle integrale kosten van een economische activiteit doorberekenen in de verkoopprijs. Onderhoudt een gemeentelijke plantsoenendienst ook particuliere tuinen? Dan moeten de overheden de kosten van dat particuliere onderhoud volledig in rekening brengen.
  • Bevoordelingsverbod Overheden mogen hun eigen overheidsbedrijven niet bevoordelen boven concurrerende bedrijven. Bijvoorbeeld door een gunstige financiering aan te bieden.
  • Gegevensgebruik Overheden mogen de gegevens waar ze over beschikken niet hergebruiken voor andere activiteiten. Dat mag alleen als andere organisaties of bedrijven ook (onder dezelfde voorwaarden) over de gegevens kunnen beschikken. Gebruikt een gemeente bijvoorbeeld de gemeentelijke basisregistratie om een commerciële mailing te versturen? Dan mag dat alleen als zij die gegevens onder dezelfde voorwaarden aan derden beschikbaar stelt.
  • Functiescheiding Heeft een overheid bij bepaalde economische activiteiten een bestuurlijke rol, en voert zij die economische activiteiten ook zelf uit? Dan mogen niet dezelfde personen betrokken zijn bij de bestuurlijke en de economische activiteiten van die organisatie. De gemeenteambtenaar die de aanvraag voor een kapvergunning behandelt, kan niet tegelijkertijd kapwerkzaamheden aanbieden aan particulieren.

De Wet markt en overheid geldt echter niet onverkort. De wet bevat een hele trits uitzonderingen die nader zijn uitgewerkt in de Handreiking Wet Markt en Overheid . In de praktijk blijkt – en dit wordt nu bevestigd door de ACM – dat overheden massaal proberen onder de werking van de wet uit te komen, door zich te beroepen op deze uitzonderingen. Overheden maken met name veel gebruik van de “algemeen belang” uitzondering: een bepaalde economische activiteit wordt in dat geval als een kerntaak bestempeld en zo belangrijk voor het algemeen belang geacht, dat het niet wenselijk is om alle kosten in rekening te brengen. Dat de Wet markt en overheid jaren na dato niet effectief blijkt, is zorgwekkend. En des te meer, omdat bij invoering de Rijksoverheid onderstreepte, na grootschalige, structurele klachten uit het bedrijfsleven, dat er echt een dwingende noodzaak bestond tot gedragsverandering bij de overheid (Kamerstukken II 2007-2008, 31 354, nr. 3 (MvT), sub 1.6):

In het voorgaande is geschetst dat er een substantiële problematiek is van oneerlijke concurrentie door de overheid. Slechts een deel van de markt en overheidproblematiek is of kan worden opgelost via bestaande regelgeving, met name sectorspecifieke regelgeving en de Europese regels met betrekking tot staatssteun. Vooral in de bescherming van ondernemers tegen verstoringen op locale en regionale markten en tegen ongelijkheden die niet op geld waardeerbaar zijn, zoals functievermenging, is er een lacune. Dat deze problematiek nog steeds actueel is kan onder meer worden afgeleid uit het voortduren van klachten van het bedrijfsleven over oneerlijke concurrentie door overheidsondernemingen. Dit alles heeft de regering tot de conclusie geleid dat het noodzakelijk is voor het optreden van overheden een wettelijke regeling te treffen die gericht is op het voorkomen van oneerlijke concurrentie.

De ACM concludeert als toezichthouder op basis van drie steekproeven dat er vier jaar na invoering van de Wet markt en overheid onder de streep maar weinig is veranderd:

“Je ziet dat overheden zich bewust zijn dat zij eerlijk moeten concurreren met ondernemers. Dat is winst. Ik constateer ook dat veel gemeenten bewust gekozen hebben om sommige activiteiten niet onder de wet te laten vallen. Dat mag, maar beperkt wel het effect van de wet”.

Voor bedrijven die geconfronteerd worden met oneerlijke concurrentie door de overheid is dit geen bemoedigende constatering. Hopelijk brengt de evaluatie van het ministerie, later dit jaar, daar verandering in. Zonder aanpassing blijft de Wet markt en overheid namelijk vooral symboolpolitiek.