Onduidelijke contractuele afspraken: voorzieningenrechter velt waar mogelijk een (voorlopig) oordeel over interpretatie overeenkomst

vrijdag, 8 mei 2015

De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel heeft op 1 mei 2015 een (voorlopig) oordeel geveld over een geschil dat partijen (aan de ene kant ICT-ontwikkelaar Fazzination en aan de andere kant onderwijsinstelling Landstede) verdeeld hield. Kern van de zaak was de vraag of tussen partijen een (al dan niet langlopende) overeenkomst was gesloten inzake de uitrol van een ICT-project en zo ja wat die overeenkomst dan precies inhield.

Achtergrond

Partijen zijn op enig moment met elkaar in gesprek geraakt over de uitrol van een ICT-project binnen Landstede door Fazzination. In de onderhandelingsfase zijn door partijen enkele gesprekken gevoerd en documenten uitgewisseld, waaronder een concept (“Concept Zakelijk”) van een (niet nader benoemde) overeenkomst.  Op basis daarvan zou Fazzination in (grof gezegd) twee fasen aan de slag gaan met het ICT-project en nader benoemde werkzaamheden verrichten. Kosten: EUR 75.000 bij aanvang te voldoen (ziende op fase 1), en daarna nog eens EUR 225.000, verdeeld over twaalf maanden te voldoen (ziende op de vervolgfase). In dit concept wordt over dat totaalbedrag van EUR 300.000 gemeld: “Dit bedrag is een schatting van de kosten indien Landstede Groep een service overeenkomst met Fazzination aan zou gaan over een periode van 3 jaar (…).” 

Daaropvolgend heeft Landstede te kennen gegeven te willen participeren in het aandelenkapitaal van Fazzination. Fazzination doet daartoe een relatief ruim en vrijblijvend omschreven voorstel aan Landstede. Gemeld wordt (kort gezegd) dat dit participatievoorstel alleen in samenhang met de hierboven genoemde  Concept Zakelijk geldig is. Landstede ondertekent het Concept Zakelijk op 4 juli 2014 en ook het participatievoorstel wordt ondertekend.  

De samenwerking gaat van start (zonder dat nu reeds uitvoering wordt gegeven aan het participatievoorstel) en de eerste factuur ad EUR 75.000 ziende op fase 1 wordt verzonden en voldaan. Ook stuurt Fazzination al enkele facturen ziende op de vervolgfase. Daarna vindt een gedeeltelijke bestuurswissel plaats bij Landstede en loopt het spaak. Landstede geeft aan (de voorzetting van) de samenwerking met Fazzination te willen heroverwegen. Vervolgens schrijft Landstede Fazzination aan op 16 februari 2015 en betoogt dat Landstede louter het (reeds betaalde) bedrag van EUR 75.000 verschuldigd is aan Fazzination gelet op het feit dat de vervolgfase nog niet van start zou zijn gegaan. De reeds verzonden facturen ziende op de vervolgfase voldoet zij zodoende niet. Landstede zegt de overeenkomst op.

Fazzination reageert en betwist voorgaande lezing van Landstede. Fazzination betoogt dat een lange termijn samenwerking is aangegaan, althans beoogd, die niet zomaar tussentijds door Landstede kan worden opgezegd. Fazzination verwijst daarbij onder meer naar bepaalde op de lange lange termijn gerichte “milestones” die door partijen zouden zijn gecommuniceerd in de onderhandelfase. Fazzination sommeert Landstede om onder meer te bevestigen dat Landstede “de overeenkomst van 4 juli” zal nakomen, de gezonden facturen zal voldoen en uitvoering zal geven aan het participatievoorstel. Landstede weigert.

(Voorlopige) oordelen voorzieningenrechter

Fazzination start een kort geding. De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel maakt in dit kader enkele interessante overwegingen. Allereerst inzake de vraag of tussen partijen überhaupt een overeenkomst is tot stand gekomen op 4 juli 2014:

“Voorop wordt gesteld dat een overeenkomst tot stand komt na aanbod en aanvaarding daarvan. Daarbij heeft te gelden dat het aanbod alle essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst dient te bevatten om als aanbod te kunnen worden aangemerkt. Zo niet, dan is slechts sprake van een uitnodiging tot het doen van een aanbod. Anders gezegd, zonder die essentialia komt, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid, geen overeenkomst tot stand (artikel 6:227 BW). Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2001 (NJ 2001, 179) volgt dat het antwoord op de vraag wat de essentialia van een overeenkomst zijn, afhangt van de bedoeling van partijen, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval.”

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is inderdaad sprake van een overeenkomst op hoofdlijnen.  Meer specifiek zou sprake zijn van een overeenkomst van opdracht en (anders dan betoogd door Fazzination inzake het onderdeel dat ziet op participatie) geen koopovereenkomst aandelen (op dat laatste punt gaat de voorzieningenrechter elders in het vonnis in, zie hieronder). Deze is, aldus de voorzieningenrechter, echter inmiddels rechtsgeldig opgezegd door Landstede bij brief d.d. 16 februari 2015, een en ander op grond van artikel 7:408-1 BW dat een opdrachtgever het recht geeft een overeenkomst van opdracht te allen tijde op te zeggen. Dit wordt niet bestreden door Fazzination. Omdat de overeenkomst is geëindigd wordt de eerste vordering strekkende tot nakoming van die overeenkomst zodoende afgewezen.

Ten aanzien van de openstaande facturen inzake de vervolgfase maakt de voorzieningenrechter ook enkele interessante overwegingen.  Op zichzelf heeft Fazzination een voldoende spoedeisend belang bij deze geldvorderingen, aldus de voorzieningenrechter. Echter, de voorzieningenrechter oordeelt vervolgens:

“Fazzination stelt dat Landstede uit hoofde van de overeenkomst van 4 juli 2014 de gevorderde bedragen aan haar is verschuldigd, hetgeen door Landstede wordt betwist. Volgens Landstede bestaat deze overeenkomst niet meer, omdat de eerste fase van het project is afgerond en betaald, dan wel omdat de overeenkomst rechtsgeldig per 16 februari 2015 is opgezegd. Gelet op het gemotiveerde verweer van Landstede kan binnen het bestek van dit kort geding niet met voldoende waarschijnlijkheid worden uitgemaakt wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft. Dit vergt een nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich naar haar aard niet leent. Reeds hierom moet worden geconcludeerd dat de vordering van Fazzination thans onvoldoende vaststaat om in kort geding geheel of gedeeltelijk te kunnen worden toegewezen.”

De geldvorderingen worden afgewezen. Ten aanzien van de derde vordering, inzake de  participatie, oordeelt de voorzieningenrechter:

“Daargelaten of sprake is van een voldoende spoedeisend belang, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen met betrekking tot de aandelenoverdracht een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen. Hierbij is in aanmerking genomen dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de datum van levering en de waarde van de aandelen, alsmede dat de in het voorstel van 26 juni 2014 genoemde aandeelhoudersovereenkomst nimmer is opgesteld. Daar komt nog bij dat gesteld noch gebleken is dat partijen de aandelenoverdracht op 4 juli 2014 hebben besproken bij de ondertekening van het Concept Zakelijk en voorts dat in het Concept Zakelijk, waarnaar in het voorstel wordt verwezen, daarover niets is bepaald. De bewoordingen in het voorstel duiden bovendien veeleer op een intentieverklaring van partijen dan op een tussen partijen gesloten overeenkomst.”

Ook deze vordering wordt zodoende afgewezen.

Uitkomst

Fazzination wordt zodoende in het ongelijk gesteld, terwijl zij meende in haar recht te staan op basis van de gemaakte afspraken.  Hieruit blijkt weer dat het van groot belang is om (beoogde) afspraken, zeker waar het milestones, looptijden en opzegrechten betreft, duidelijk uit te werken in een formeel document dat door beide partijen wordt ondertekend. Het volstaan met min of meer informele concepten die voor akkoord worden ondertekend is en blijft risicovol, omdat die concepten vaak (belangrijke!) details onbesproken laten. Dit weegt des te zwaarder omdat – zoals weer blijkt uit deze uitspraak – een voorzieningenrechter in de regel maar in beperkte mate bij machte is om in een kort geding procedure een inhoudelijk oordeel te vellen over de inhoud van dergelijke afspraken. Zodoende is de eisende partij in principe aangewezen op een lange en kostbare bodemprocedure alvorens duidelijkheid kan worden verkregen over de definitieve rechten en plichten van partijen.

Hieronder een link naar de volledige uitspraak:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOVE:2015:2209