Ondertoezichtstelling ten behoeve van omgangsregeling: laatste redmiddel

maandag, 22 februari 2016

Op 19 januari jl. heeft de Hoge Raad een beschikking van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, waarbij een omgangsondertoezichtstelling door de rechtbank was bekrachtigd, vernietigd (ECLI:NL:HR:2016:295). 

Het gerechtshof had, blijkens de inhoud van de beschikking, de maatregel van ondertoezichtstelling opgelegd om te bewerkstelligen dat ten behoeve van de minderjarige een omgangsregeling tot stand zou worden gebracht. Ook moest daardoor het ontbrekende familie life van de minderjarige met haar moeder en haar halfzusje worden hersteld. De Hoge Raad beoordeelde dit als een zogenaamde omgangsondertoezichtstelling. 

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is een dergelijke ondertoezichtstelling slechts mogelijk wanneer er sprake is van een ernstige bedreiging voor de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige door:

  • het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan of
  • belastende conflicten of problemen voor het kind, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, door de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling

terwijl andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen (ECLI:NL:HR:2001:AB1009 en ECLI:NL:HR:2001:AB1073). 

Bovendien moeten aan de motivering van de toewijzing van ondertoezichtstelling in dat geval hoge eisen worden gesteld. 

Het gerechtshof heeft overwogen, dat uit de raadrapportage en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt. Voorts dat de raad voor de kinderbescherming ter zitting heeft gesteld dat de minderjarige ernstig werd bedreigd in haar ontwikkeling als ze geen contact heeft met haar moeder en halfzusje. 

De Hoge Raad vindt deze motivering niet voldoende voor het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling en oordeelt dat het gerechtshof niet de juiste maatstaf (zie vorige alinea) heeft toegepast. Met name heeft het hof niet in zijn oordeelsvorming betrokken of de ernstige bedreiging voor de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige ten gevolge van het langdurig verbroken familie life kon worden afgewend door inzet van andere, minder ingrijpende middelen. Ook blijkt niet uit de beschikking van het hof of is onderzocht of andere middelen hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. Daarnaast heeft het hof slechts overwogen dat ter zitting is geconstateerd dat de ouders tezamen op dat moment niet gemotiveerd bleken om verandering te brengen in het gebroken familie life. Daarnaast overweegt het hof dat, gelet op de verbetenheid waarmee partijen hun stellingen hebben betrokken, te voorzien is dat de bedreiging van de persoons– en identiteitsontwikkeling van de minderjarige in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. De Hoge Raad vindt ook dit onvoldoende grond en motivering. 

De beschikking van het hof is derhalve vernietigd omdat niet de juiste maatstaf is aangelegd en omdat niet is voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde hogere motiveringseisen voor ondertoezichtstelling ten behoeve van herstel van omgang. 

Met deze uitspraak wordt door de Hoge Raad (opnieuw) duidelijk gemaakt, dat de zogenaamde omgangsondertoezichtstelling niet zomaar mogelijk is en bedoeld is als laatste redmiddel mits op grond van de juiste maatstaven en motivering.