Nota vereenvoudiging (berekening) kinderalimentatie

dinsdag, 15 november 2011

Op 29 september 2011 hebben de PvdA en de VVD een nota tot vereenvoudiging (van de berekening van) kinderalimentatie bij staatssecretaris Teeven ingediend. Het doel van dit wetsvoorstel is om de problemen rondom de betaling van kinderalimentatie (betalingsonwil) te verhelpen door de berekening eenvoudiger te maken. Alimentatieplichtigen zouden hierdoor beter inzicht krijgen in de wijze waarop het door hen te betalen alimentatiebedrag is vastgesteld. Tot 30 oktober 2011 stond de nota open voor informele consultatie. Betrokken instellingen en organisaties waren uitgenodigd om de nota van commentaar te voorzien. Een aantal familierechtadvocaten verwacht dat deze nota niet het achterliggende doel zal bereiken. Zij zien meer heil in een goede uitleg aan alimentatieplichtigen over de huidige rekenmethode die maatwerk levert, dan in de voorgestelde wijze van berekening met forfaitaire bedragen.

Nieuwe methode

De PvdA en de VVD wensen door middel van een berekening met forfaitaire bedragen de ingewikkeldheid van de huidige berekening met zijn vele variabelen te vereenvoudigen. Hierdoor zou 80% van de gebruikers zelf in staat moeten zijn om een dergelijke berekening uit te voeren. De stap naar de rechter zou zodoende minder snel gezet worden. Wijziging van de hoogte van de kinderalimentatie kan in eerste instantie aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) worden voorgelegd alvorens een procedure bij de rechtbank aanhangig te maken. Daarnaast dienen ouders, ongeacht hun inkomen en draagkracht altijd een minimumbijdrage te leveren van € 50,-- per maand.

Hoe werkt deze nieuwe methode nu exact?

In de nota is een 5-stappenplan ontwikkeld waarmee de te betalen bijdrage berekend kan worden. Bij stap 1 wordt – net als bij de huidige methode – eerst de behoefte van het kind aan de hand van het netto gezinsinkomen voor scheiding vastgesteld. Vervolgens wordt bij stap 2 de draagkracht van de ouders vastgesteld op basis van het netto inkomen na scheiding, waarbij rekening wordt gehouden met standaardbedragen voor vaste lasten (en dus niet de werkelijke lasten). Bij stap 3 wordt gekeken of de ouders de draagkracht hebben om in de behoefte van het kind te kunnen voorzien, met inachtneming van de wettelijke minimumbijdrage van € 50,-- per maand. Daarna wordt in stap 4 bepaald welke ouder welke lasten (forfaitair vastgesteld) voor het kind betaalt (de zogenaamde ‘kindgebonden kosten’). Dit wordt afgeleid uit het aantal nachten dat het kind verhoudingsgewijs per jaar bij elke ouder verblijft (verblijfspercentage). Tot slot wordt in stap 5 de te betalen alimentatie vastgesteld.