Nieuwe wetgeving per 1 januari 2013

donderdag, 3 januari 2013

Op 1 januari 2013 is zijn enkele nieuwe wetten in werking getreden die relevant kunnen zijn voor de ondernemingsrechtelijke praktijk. Hieronder treft u een - niet uitputtende - lijst aan van deze wetten.

- Wet Bestuur en Toezicht (inclusief Reparatiewet)

Het Wetsvoorstel bestuur en toezicht, inclusief reparatiewet, is op 25 september 2012 aangenomen door de Eerste Kamer en en thans in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht wordt een aantal bepalingen in boek 2 van het Burgerlijk Wet boek gewijzigd. 

- Herziening van het enquêterecht

Op 12 juni 2012 is het wetsvoorstel wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête ("Wetsvoorstel herziening enquêterecht") door de Tweede Kamer aangenomen. Deze nieuwe wet is per 1 januari 2013 inwerking getreden en zal een aantal essentiële wijzigingen met zich meebrengen voor het zogenaamde enquêterecht.

Het enquêterecht biedt de mogelijkheid om geschillen binnen rechtspersonen voor te leggen aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (“Ondernemingskamer”). Indien de Ondernemingskamer van oordeel is dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan juist beleid binnen de rechtspersoon, kan de Ondernemingskamer een onderzoek laten doen naar het beleid en de gang van zaken binnen de rechtspersoon. Op basis van het onderzoeksverslag kan de Ondernemingskamer vervolgens oordelen of er sprake is van wanbeleid, waarna zij definitieve maatregelen kan treffen. Daarnaast heeft de Ondernemingskamer in elke stand van het geding de bevoegdheid om op verzoek onmiddellijke (tijdelijke) voorzieningen te treffen in verband met de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek.

Hieronder wordt een - niet uitputtend - overzicht gegeven van de aanpassingen die in het Wetsvoorstel herziening enquêterecht zijn opgenomen:

  • De rechtspersoon zelf heeft het recht gekregen een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer in te dienen;
  • in geval van faillissement van de rechtspersoon heeft de curator ook het recht gekregen een enquêteverzoek in te dienen;
  • de criteria voor de toegang tot de Ondernemingskamer zijn aangescherpt: onderscheid is gemaakt tussen enerzijds kleine en anderzijds grote vennootschappen (de grens is door de wetgever gelegd bij een geplaatst kapitaal van € 22,5 miljoen), waardoor certificaat- of aandeelhouders van een grote vennootschap over een groter belang dienen te beschikken alvorens zij een enquêteverzoek kunnen indienen;
  • de Ondernemingskamer kan tegelijk met het benoemen van de met onderzoek belaste personen, tevens een raadsheer-commissaris benoemen die aanwijzingen kan geven over de wijze waarop het onderzoek moet worden uitgevoerd indien een goede gang van zaken van het onderzoek dat vereist;
  • iedere belanghebbende krijgt de gelegenheid een verweerschrift in te dienen tot een door de Ondernemingskamer te bepalen tijdstip voorafgaande aan de zitting;
  • processuele waarborgen (hoor- en wederhoor) zijn verder versterkt;
  • de in de jurisprudentie (HR 14 december 2007, DSM) ontwikkelde belangenafweging voor de toewijzing van de onmiddellijke voorzieningen is wettelijk vastgelegd;
  • de kostenregeling is aangepast en het aansprakelijkheidsrisico van de met het onderzoek belaste personen is beperkt.