Nieuwe de-minimissteun verordening: weinig nieuws onder de zon

dinsdag, 14 januari 2014

Op 1 januari 2014 is de nieuwe de-minimissteun verordening in werking getreden. De nieuwe verordening geldt tot eind 2020. Van een trendbreuk met het verleden is geen sprake. De veranderingen ten opzichte van de vorige verordening zijn minimaal.

Een fanatieke lobby in Brussel om het steunplafond te verhogen ten spijt, is de basisregel dat overheden over een periode van drie belastingjaren per onderneming maximaal EUR 200.000 aan steun mogen verlenen in de nieuwe verordening gehandhaafd. Wel succesvol is de lobby van de lidstaten geweest om hen niet te verplichten nationale, centrale registers voor de-minimissteun in te stellen. Het lijkt er op dat in het Brusselse onderhandelingsspel deze twee zaken tegen elkaar zijn uitgeruild.

Wat is er wel veranderd? Allereerst verduidelijkt de nieuwe verordening dat ondernemingen die actief zijn in sectoren waarop de de-minimisverordening niet van toepassing is (onder meer de agrarische sector) de-minimissteun mogen ontvangen voor activiteiten die wel onder de verordening vallen. Voorwaarde daarvoor is dat passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgen dat uitgesloten sectoren geen de-minimissteun genieten.

Nieuw is dat de verordening in artikel 2 een definitie geeft van het begrip ‘één onderneming’. Voor de praktijk heeft dit geen grote gevolgen, aangezien de definitie grotendeels een codificatie vormt van vaste rechtspraak.

Belangrijker voor de praktijk is de verduidelijking dat de-minimissteun drempel geldt per lidstaat (artikel 3 lid 2). Multinationals kunnen voor buitenlandse dochters per lidstaat de-minimissteun aanvragen.

De nieuwe verordening bevat tenslotte in artikel 4 regels voor de berekening van het bruto-subsidie-equivalent en verduidelijkt wanneer steun vervat in leningen als transparante de-minimissteun wordt beschouwd.