Nevenwerkzaamheden van werknemer onvoldoende voor ontslag op staande voet

woensdag, 28 april 2010

Werknemer, in dienst bij een onderwijsinstelling, is geschorst en vervolgens op staande voet ontslagen. Werkgever voert aan als dringende reden dat de werknemer geen toestemming heeft gevraagd voor de door hem verrichte werkzaamheden bij De Commissie en het verrichten van werkzaamheden voor twee andere scholen, hetgeen omzet - en imagoschade voor de werkgever zou hebben veroorzaakt. De Kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet correct heeft gehandeld door via het eigen bedrijf werkzaamheden te verrichten voor De Commissie, waarvoor werknemer eerst via werkgever werkte. Een ontslag op staande voet vindt de rechter echter te vergaand.

Werknemer was sinds 1992 bij de werkgever in dienst als senior onderwijsadviseur. Vanuit zijn functie bij werkgever was werknemer onder meer voorzitter van een Commissie die zich bezig houdt met leerlingenzorg (hierna: de Commissie). Werknemer is verder mede-directeur van een adviesbureau.

In 2009 laat De Commissie werknemer weten dat zij, in verband met de kosten verbonden aan het voorzitterschap van werknemer, het contract met de werkgever wil beëindigen. Werknemer brengt daarop, via zijn eigen bedrijf, een offerte uit aan De Commissie. Dit resulteert in een contract tussen De Commissie en het Adviesbureau.

Als werkgever werknemer om opheldering wordt gevraagd, stelt de werknemer dat De Commissie al had besloten het contract te beëindigen en dat hij zich daarom vrij achtte om via zijn bedrijf een offerte uit te brengen. Tijdens een opvolgend overleg in september 2009 komen nog andere nevenactiviteiten van de werknemer ter sprake.

Werkgever ontslaat werknemer op staande voet en beroept zich daarbij onder meer op de toepasselijke CAO. Op basis van de CAO is het werknemer niet toegestaan om, zonder schriftelijke toestemming van werkgever, beloonde arbeid te verrichten. Werknemer verzet zich tegen het ontslag op staande voet.

De werknemer stelt zich op het standpunt dat werkgever altijd heeft geweten van het eigen bedrijf, in ieder geval vanaf 2008. In dat jaar heeft werknemer werkgever aangeboden bepaalde werkzaamheden te laten verrichten door zijn adviesbureau. Werkgever is daar destijds niet op ingedaan, maar heeft ook niet moeilijk gedaan over het bestaan van het bureau en de betrokkenheid van werknemer daarbij.

De Kantonrechter overweegt dat, hoewel werknemer door een offerte uit te brengen aan en een contract te sluiten met De Commissie – mede gelet op zijn functie bij de werkgever –, niet heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden, en zodoende het vertrouwen van de werkgever heeft beschaamd, er onvoldoende grondslag bestaat voor ontslag op staande voet. Immers, werkgever kon vermoeden dat het bedrijf waarbij werknemer betrokken was, actief was of zou worden op dezelfde markt. Dit bleek niet alleen uit het curriculum vitae van de werknemer, maar ook uit het door hem in 2008 gedane aanbod zijn bedrijf werkzaamheden voor de werkgever te laten verrichten. Door vervolgens geruime tijd niets te doen, heeft de werkgever minstens de schijn gewekt dat hij geen bezwaren had tegen de betrokkenheid van de werknemer bij dit bedrijf. Van belang is daarnaast dat de werknemer ná het ontslag op staande voet direct spijt heeft betuigd. Werknemer heeft per brief aangegeven de gang van zaken te betreuren en zich beschikbaar gehouden voor arbeid. In die brieven werd ook het belang van de werkgever in ogenschouw genomen. Onder meer gelet op deze omstandigheden, ziet de kantonrechter niet in waarom de werkgever de door werknemer geopperde mogelijkheid om met een gesprek tot een oplossing te komen, heeft afgekapt.

De stelling van werkgever dat werknemer zich als directe concurrent heeft gedragen, is met name vanwege de beperkte omvang van de door werknemer in het kader van het adviesbureau verrichte werkzaamheden, niet van zodanig gewicht dat dit van doorslaggevende betekenis is. Hierbij is voorts van belang dat werkgever niet, althans in volstrekt onvoldoende mate, aannemelijk heeft gemaakt dat zij door deze gang van zaken grote financiële schade heeft geleden, aldus de kantonrechter. Ook de gestelde imagoschade kan niet geheel op het conto van de werknemer mag worden geschreven. Werknemer heeft na het ontstaan van het geschil, aan relaties van het adviesbureau te kennen heeft gegeven niet op verzoeken te kunnen ingaan, nu hij nog in dienst was bij werkgever

Ten slotte is van belang dat de werknemer ruim 17 jaar bij de werkgever in dienst is, gedurende welke periode hij een goede staat van dienst heeft opgebouwd.

Conclusie

Het ontslag op staande voet, gegeven wegens overtreding van het nevenactiviteitenbeding houdt geen stand. Wel heeft de werknemer zich niet gedragen zoals van hem mocht worden verwacht én heeft hij het vertrouwen van de werkgever beschaamd maar dat is volgens de rechter gelet op de overige omstandigheden niet voldoende om het dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen. De loonvordering van werknemer wordt toegewezen. Nu werkgever heeft aangegeven dat over een terugkeer van de werknemer niet te praten valt, wordt de vordering tot wedertewerkstelling afgewezen.