Nederland steeds aantrekkelijker voor kartelclaims

woensdag, 2 oktober 2013

Kartelslachtoffers ondervinden schade van kartels. Het gaat soms over vele miljoenen euro’s schade, die betrekking heeft op een jarenlange kartelinbreuk. Kartelslachtoffers willen hun schade vergoed zien. Recente ontwikkelingen in de Nederlandse rechtspraak suggereren, dat het relatief eenvoudig is in Nederland een kartelclaim uit te procederen. Nederland wordt daarmee steeds aantrekkelijker voor kartelclaims. Mogelijk zullen internationale partijen  eerder Nederland kiezen, als de plek waar zij hun kartelclaim willen indienen.

Kartels zijn onwenselijk. De wetgever wil kartels tegengaan. In Europa is gekozen voor een benadering, die over twee sporen verloopt. Ten eerste kan de toezichthouder een kartelboete opleggen. Kartellisten kunnen deze kartelboete ter discussie stellen voor de rechter. Dit is over het algemeen een bestuursrechtelijk traject. Ten tweede kunnen kartelslachtoffers en derden hun schade verhalen op de kartellisten. Zij zullen daarvoor, behoudens schikkingsonderhandelingen, over het algemeen naar de civiele rechter moeten.

Twee recente uitspraken van Nederlandse rechters maken het voor kartelslachtoffers eenvoudiger in Nederland hun gelijk te halen.

Luchtvracht-kartel

Op 24 september 2013 besliste het gerechtshof Amsterdam dat een civiele procedure tot vergoeding van kartelschade, niet zomaar mag worden aangehouden, in afwachting van een definitieve uitspraak van de Europese rechter.

Het draait in deze zaak allemaal om afspraken die luchtvaartmaatschappijen in de periode van december 1999 tot februari 2006 zouden hebben gemaakt over brandstof- en veiligheidstoeslagen. Volgens de Europese Commissie zijn die afspraken in strijd met het Europese mededingingsrecht. De Europese Commissie heeft de luchtvaartmaatschappijen op 9 november 2010 forse boetes opgelegd tot een bedrag van in totaal bijna 800 miljoen euro.  De luchtvaartmaatschappijen zijn daartegen in beroep gegaan bij de Europese rechter. Zij verzochten de Nederlandse rechter de gelijktijdige schadevorderingsprocedure uit te stellen, totdat de Europese rechter uitspraak heeft gedaan over het boetebesluit van de Europese Commissie.

In het hoger beroep heeft het hof nu bepaald dat uitstel alleen aan de orde is, als het gaat om kwesties die verband houden met het boetebesluit en als er in redelijkheid twijfel kan bestaan aan de geldigheid van dat besluit. De zaak gaat daarom ook in Nederland weer verder.

Paraffinwax-kartel

Op 1 mei 2013 wees de rechtbank Den Haag vonnis, waarbij zij in de context van een kartelclaim onder meer een verzoek tot aanhouding van de Nederlandse schadevorderingsprocedure afwees. De (verdachte) kartellisten hadden om een dergelijke aanhouding gevraagd, althans totdat een Europese boetebeschikking onherroepelijk was komen vast te staan (na jarenlang procederen voor de Europese rechter). De rechtbank overwoog:

4.25 […] Het Masterfoods-arrest, artikel 16 lid 1 van de Verordening en de Mededeling van de Commissie strekken ertoe te voorkomen dat een nationale rechter een beslissing neemt die in strijd is met een nog niet onherroepelijke beschikking van de Commissie. De communautaire verplichting tot loyale samenwerking waarop gedaagden zich in de hoofdzaak beroepen brengt dan ook mee dat wanneer de beslechting van het geschil voor de nationale rechter afhangt van de geldigheid van de beschikking van de Commissie, de nationale rechter die wegens twijfel aan genoemde geldigheid overweegt een beslissing te nemen die indruist tegen deze beschikking, zijn beslissing aanhoudt tot een definitieve beslissing van de communautaire rechterlijke instanties op het beroep op nietigverklaring van de beschikking is gegeven, tenzij hij van oordeel is dat het in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is het Hof van Justitie van de EU een prejudiciële vraag over de geldigheid van de beschikking te stellen.

4.26 De rechtbank is met CDC van oordeel dat in deze stand van de procedure – waarin nog niet is geantwoord door gedaagden in de hoofdzaak en de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van de (integrale) inhoud van de beschikking – nog niet de onder 4.25 omschreven twijfel heeft kunnen ontstaan. Er is dan ook (nog) geen sprake van dat de rechtbank overweegt een beslissing te nemen die tegen de beschikking indruist, nog daargelaten dat de hoofdzaak niet in staat van wijzen verkeert. Daarbij komt dat de precieze inhoud van het geschil in de hoofdzaak nog niet geheel duidelijk is, omdat – zoals reeds overwogen – nog niet voor antwoord is geconcludeerd. Gelet op de inhoud van de dagvaarding en de tot nu toe ingenomen standpunten in de incidenten ligt het echter in de redelijke lijn der verwachting dat in de hoofdzaak ook beslissingen zullen moeten worden genomen over geschilpunten en/of juridische vraagstukken die niets van doen hebben met de geldigheid van de beschikking en waar geen gevaar te duchten is voor tegenstrijdigheid met de niet voor alle gedaagden in de hoofdzaak onherroepelijke beschikking. Gedacht kan worden aan de geldigheid van de cessies, het op de vordering uit onrechtmatige daad toepasselijk recht en de inhoud daarvan – waar partijen zich ook in voldoende mate over moeten kunnen uitlaten – en de door CDC gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid. De beslechting van het geschil in de hoofdzaak hangt dus bovendien niet geheel af van de geldigheid van de beschikking. Nu Shell cs geen beroep hebben ingesteld tegen de beschikking, zal onderzoek naar en beoordeling van de voorgaande punten, die losstaan van de geldigheid van de beschikking, en het daarop toepasselijk recht hoe dan ook dienen plaats te vinden.

4.27 Gelet op het voorgaande noopt de communautaire verplichting tot loyale samenwerking thans niet tot aanhouding van de hoofdzaak. De beginselen van goede procesorde, die een aanvulling vormen op het toepasselijke geschreven Nederlandse procesrecht en dus ook naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld, nopen daar evenmin toe. Deze beginselen strekken er ook toe te voorkomen dat procedures onnodig lang voortslepen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen het door het Hof van Justitie van de EG onder meer in het arrest van 20 september 2001 (Courage/Crehan C-453/99) benadrukte beginsel van doeltreffendheid. Met CDC – die stelt vorderingen gecedeerd te hebben gekregen van justitiabelen die rechten aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen – wordt geoordeeld dat deze beginselen op onaanvaardbare wijze worden doorkruist als de enkele omstandigheid dat beroep is ingesteld tegen de beschikking ertoe zou leiden dat pas voor antwoord dient te worden geconcludeerd zodra de beschikking onherroepelijk is geworden.

Relevantie voor de praktijk

Wij signaleren drie belangrijke consequenties.

  • Ten eerste dienen kartelslachtoffers zich bewust te zijn van de voor- en nadelen van de jurisdicties, waarin zij eventueel hun kartelclaim willen indienen. De regels hiervoor verschillen per EU lidstaat. Nederland lijkt zich nu naar voren te manoeuvreren als een zeer aantrekkelijke jurisdictie voor het afhandelen van kartelclaims.
  • Ten tweede dienen kartellisten ervan op de hoogte te zijn, dat het jarenlang uitstellen van kartelclaims moeilijker wordt. Kartelslachtoffers zullen al eerder in het proces hun kartelclaims indienen en willen afhandelen. Dit betekent dat (vroege) schikkingen ook waarschijnlijker worden.
  • Ten derde lijkt het voor (verdachte) kartellisten verstandig, met het oog op het laatste punt, eerder een voorziening te nemen op de balans, indien zij het risico groot inschatten dat de rechter een kartelinbreuk vaststelt. De markt kan anders onaangenaam verrast worden door onverwachte, forse betalingen terzake kartelclaims.