Motie internationaal fiscaal verdragsbeleid aangenomen

donderdag, 26 januari 2017

Op 24 januari nam de Tweede Kamer vijf moties aan over het internationaal fiscaal (verdrags)beleid. De meest belangrijke ziet op de substance vereisten bij zogenoemde brievenbus-bv’s.

Brievenbus-bv’s

Brievenbus-bv’s kunnen worden gedefinieerd als vennootschappen die in een land, in dit geval Nederland, zijn gevestigd zonder daar ook noemenswaardige reële economische activiteiten te verrichten en die veelvuldig worden gebruikt – volgens de definitie van onze overheid - om belasting te ontwijken. Aangezien deze brievenbus-bv’s succesvol kunnen worden bestreden door het stellen van minimumeisen aan de mate van reële economische activiteit in Nederland (‘substance-eisen’), wil de Tweede Kamer dat de Staatsecretaris van Financiën de opties in zijn brief van 4 november 2016 verder uitwerkt in beleidsvoorstellen en wenst voor 1 april 2017 te zijn geïnformeerd.

In deze alert zullen we kort ingaan op deze 3 opties uit de brief van 4 november 2016.

1. In meer gevallen uitwisselen van informatie

In de eerste optie stelt de Staatssecretaris voor om in meerdere gevallen informatie uit te wisselen met het bronland, bijvoorbeeld niet alleen bij dienstverleningslichamen die niet aan de substance-eisen voldoen, maar tevens voor internationale houdstermaatschappijen. Dit kan worden bewerkstelligt door middel van een aanpassing in het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening. Het effect van deze maatregel is dat het bronland op de hoogte wordt gebracht van de afwezigheid van voldoende substance in Nederland waardoor het bronland beter kan beoordelen of zij de voordelen van het verdrag moet toekennen.

Ook kan, aldus de Staatssecretaris, gedacht worden aan aangescherpte substance-eisen waardoor er eerder informatie zal worden uitgewisseld. Zie voor een voorbeeld de eisen, zoals genoemd in onderdeel 2.

2. Strengere voorwaarden stellen aan zekerheid vooraf

De tweede optie ziet op het verscherpen van de huidige substance-eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van zekerheid vooraf van de Nederlandse Belastingdienst (middels het overeenkomen van zgn.“rulings”).  
Als voorbeelden worden aangedragen:

  • minimaal kostenniveau als indicatie voor de reële aanwezigheid in Nederland;
  • minimaal aantal werknemers en;
  • hogere eis aan minimaal eigen vermogen (thans 15%) voor internationale houdstermaatschappijen.

3. Aanscherpen artikel 8c van de Wet Vpb 1969

De derde optie die wordt genoemd is om de EUR 2 miljoen ondergrens uit artikel 8c van de Wet Vpb 1969 te verhogen of te schrappen. Artikel 8c van de Wet Vpb 1969 beoogt te ontmoedigen dat niet reële rente- en royaltydoorstroom vennootschappen zich in Nederland vestigen en gaat hierbij uit van een minimum eigen vermogen dat de risco’s zou moeten dekken. Artikel 8c van de Wet Vpb 1969 gaat nu voor deze rentedoorstromers uit van een minimum eigen vermogen van het laagste bedrag van 1% van de uitstaande geldleningen of EUR 2 miljoen. Voldoet de rentedoorstomer aan deze minimumeisen, behoren de rente en royalty’s tot de Nederlandse grondslag. Door de EUR 2 miljoen eis te verhogen of te schrappen zal Nederland minder aantrekkelijk worden voor doorstromers aangezien dit als effect heeft dat de zakelijke (“at arm’s length”) beloning hoger dient te zijn.

Conclusie

De aangenomen motie ten aanzien van de brievenbus-bv’s zal verstrekkende gevolgen hebben voor het Nederlandse vestigingsklimaat ten aanzien van houdster-en financieringsmaatschappijen.

Zoals aangegeven is het beleid gericht op het beter informeren van de bronlanden teneinde deze landen in staat stellen zelfstandig te kunnen beoordelen of sprake is van misbruik. Dit is geheel in lijn met de stappen die in internationaal verband zijn gezet op het gebied van verdragsmisbruik en transparantie.

Echter, er is een grote groep bedrijven, met name internationale houdster- en financieringsmaatschappijen zonder operationele activiteiten in Nederland, die flink geraakt zullen worden door bovenstaande. De huidige praktijk van inhuur van de relevante substance bij dienstverleners zal door het huidige beleid onder druk komen en anders te moeten worden ingevuld. Het is derhalve aan te raden deze structuren tijdig door te lichten om te zien of deze dienen te worden aangepast aan de aangescherpte substance-eisen alsmede de overige internationale ontwikkelingen.

Mocht u naar aanleiding van bovenstaande nog vragen en/of opmerkingen hebben, verzoeken wij u contact op te nemen.

Auteur
drs. J.P. (John) Linders
drs. J.P. (John) Linders Partner International Tax/Transfer Pricing