Modernisering familierecht: invoering 'meerouderschap' en 'meeroudergezag'?

dinsdag, 17 januari 2017

De afgelopen decennia is de diversiteit in gezinsvormen toegenomen. Het familierecht was en is echter nog steeds voor een groot deel gebaseerd op het idee van een ‘traditioneel gezin’: een gehuwd paar van verschillend geslacht met biologische kinderen. Steeds meer kinderen groeien echter op in een andere leefvorm, zoals een eenoudergezin, adoptie- of pleeggezin, homo-gezin, samengesteld gezin of in een meeroudergezin (ook wel ‘regenbooggezin’ genoemd). Meeroudergezinnen kunnen op veel manieren zijn samengesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een homostel dat samen met een vrouw op basis van co-ouderschap een kind opvoedt. 

Op grond van de huidige wetgeving kan een kind niet meer dan twee juridische ouders hebben. De moeder uit wie het kind wordt geboren, is van rechtswege de juridische moeder. Naast de geboortemoeder is er nog één ouderschapsplaats. Die kan van rechtswege worden ingenomen door de echtgenoot of echtgenote dan wel geregistreerde partner van de moeder of door de persoon die het kind heeft erkend, degene wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld of de adoptant. Indien er sprake is van een meeroudergezin heeft een derde of vierde ouder juridisch en financieel gezien niet dezelfde rechten als de (met gezag belaste) ‘juridisch ouder’. Zo is een derde ouder niet bevoegd om toestemming te geven voor een medische behandeling, mogen deze ouders hun kind niet zomaar meenemen naar het buitenland en kunnen zij niet zelf een spaarrekening openen voor hun kind. Voorts heeft een dergelijke ouder geen recht op omgang met en informatie over het kind na een echtscheiding. Daarnaast ondervindt een kind allerlei financiële nadelen met betrekking tot de erfenis van zijn niet juridische ouder.

Op 7 december 2016 heeft de Staatscommissie Herijking Ouderschap haar rapport ‘Kind en Ouders in de 21ste eeuw’ uitgebracht aan de Minister van Veiligheid & Justitie. De Staatscommissie werd op 1 mei 2014 ingesteld in reactie op een motie van de Eerste Kamerfractie van de SP. De opdracht aan de Staatscommissie Herijking Ouderschap was de regering te adviseren over de wenselijkheid van een wijziging van de bestaande regelingen over het ontstaan van juridisch ouderschap en de invoering van een wettelijke regeling voor meerouderschap, meeroudergezag en voor draagmoederschap. (*1)

Meerouderschap

In haar rapport adviseert de Staatscommissie om ‘juridisch meerouderschap’ en ‘meeroudergezag’ mogelijk te maken. De Staatscommissie wil de meerouderschapsregeling toegankelijk maken voor de personen met wie het kind een genetische band zal hebben, met de geboortemoeder en met de levensgezellen van deze personen. De Staatscommissie is van mening dat de personen die juridisch ouder van een kind worden, zoveel mogelijk de personen behoren te zijn die het kind ook daadwerkelijk verzorgen en opvoeden. Meerouderschap kan gelden voor maximaal vier ouders en twee huishoudens. Alle ouders moeten een voor het kind aanwijsbare band hebben. De Staatscommissie stelt daarbij voorop dat het juridische meerouderschap en de juridische vormgeving daarvan niet in strijd mogen komen met de belangen en de rechten van het (toekomstige) kind.

Juridisch meerouderschap zal echter leiden tot een toename van de (juridische) complexiteit van de opvoedingssituatie. Er zullen dan ook voorwaarden moeten worden gesteld aan de vormgeving van juridisch meerouderschap. Zo moeten aspirant-meerouders het meerouderschap zorgvuldig voorbereiden en de afspraken hierover vastleggen in een ‘meerouderschapsovereenkomst’. De verplichting om gezamenlijk de meerouderschapsovereenkomst op te stellen, zou de ouders volgens de Staatscommissie moeten prikkelen om goed na te denken over hoe zij het juridisch meerouderschap willen invullen. In de meerouderschapsovereenkomst dienen in elk geval afspraken te worden opgenomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de bepaling van de hoofdverblijfplaats van het kind, de verdeling van de financiële lasten en de geslachtsnaam die het kind zal krijgen. Voorts dienen afspraken te worden gemaakt over de wijze waarop het kind zal worden geïnformeerd over zijn ontstaansgeschiedenis en over hoe ouders willen omgaan met eventuele conflicten die zich in het kader van het juridisch meerouderschap kunnen voordoen en de wijze van herziening van afspraken.

De Staatscommissie is van mening dat de ouders de aanvaarding van het ouderschap vóór de geboorte moeten regelen. Voorts adviseert de Staatscommissie - met het oog op de complexiteit van de opvoedingssituatie - om een rechterlijke beslissing verplicht te stellen voor het bereiken van juridisch meerouderschap. Om zeker te stellen dat de meerouderschapsovereenkomst door de rechter vol wordt getoetst, adviseert de Staatscommissie om voor het toekomstige kind een bijzondere curator te benoemen, die speciaal opkomt voor de belangen van het kind, aansluitend bij de huidige regeling van artikel 1:212 BW.

Meeroudergezag

Waar meerdere ouders samen met het kind een gezin vormen, zal het doorgaans ook wenselijk zijn dat deze personen samen het gezag over het kind uitoefenen. Dit zou volgens de Staatscommissie erkenning bieden voor de gelijkwaardige positie die zij ten opzichte van het kind en ten opzichte van elkaar hebben. Een kind staat echter op grond van de huidige wetgeving onder het gezag van maximaal twee personen. De Staatscommissie adviseert om het gezagsrecht zo in te richten dat meeroudergezag in beginsel mogelijk wordt. Een bezwaar tegen het mogelijk maken van gezag voor meer dan twee personen is dat er aldus meer conflicten zullen ontstaan, hetgeen niet in het belang van het kind zal zijn. In geval van juridisch meerouderschap zou het gezag over het kind volgens de Staatscommissie dan ook in de meerouderschapsovereenkomst aan de orde moeten komen. Het meeroudergezag zou, na goedkeuring van de meerouderschapsovereenkomst door de rechter, ontstaan vanaf de geboorte. De gezagsverhoudingen zullen echter ook kenbaar moeten zijn naar derden, zoals de school, artsen etc.

Wetgevingstraject

Minister Van der Steur heeft het rapport van de Staatscommissie met een eerste Kabinetsreactie aangeboden aan de Eerste en Tweede Kamer.(*2)  De aanbevelingen van de Staatscommissie zouden tot ingrijpende wetswijzigingen leiden. Het rapport zal de komende periode zorgvuldig worden bestudeerd en nader uitgewerkt met de betrokken organisaties en ministeries. De voorwaarden die de Staatscommissie stelt aan meerouderschap en meeroudergezag behoeven nadere uitwerking. De aanbevelingen moeten worden getoetst op onder meer financiële en uitvoeringsconsequenties. Om het maatschappelijk draagvlak voor de aanbevelingen te toetsen en de opvattingen van betrokken organisaties te horen, is het ministerie van plan om in februari 2017 een congres over dit onderwerp te organiseren. Kortom, er zal nog veel moeten gebeuren voordat de wetgeving en het beleid op het gebied van ouderschap en gezag zal worden aangepast.

 

Zie Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap "Kind en ouders in de 21ste eeuw"

 

 

(*1) Rapport Staatscommissie Herijking Ouderschap, ‘Kind en Ouders in de 21ste eeuw’, p. 3.

(*2) Kamerbrief van 7 december 2016 met Kabinetsreactie op rapport “Kind en ouder in de 21e eeuw” van de Staatscommissie Herijking Ouderschap, p. 5 ‘vervolgproces’.