Misstand melden in strijd met de norm van goed werknemerschap?

donderdag, 15 november 2012

Op grond van artikel 7:611 BW zijn de partijen bij een arbeidsovereenkomst verplicht om zich als goed werkgever en goed werknemer te gedragen. Voor beide partijen zijn in de rechtspraak hieraan tal van normen opgehangen. Eén van die normen is dat de werknemer op grond van 7:611 BW gehouden is tot discretie en loyaliteit tegenover zijn werkgever. 

Deze verplichting op grond van het goed werknemerschap speelt een belangrijke rol in kwesties waarin een werknemer een misstand binnen het bedrijf van zijn werkgever aan de kaak wil stellen. Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad(HR 26 oktober 2012, LJN BW9244) blijken op dit gebied duidelijk de uitgangspunten en wordt tevens duidelijk dat een uitzondering op die uitgangspunten niet uitgesloten is. In dit nieuwsbriefartikel wordt nader op deze uitspraak ingegaan.

Feitencomplex

Een werknemer van een bank constateert dat zijn werkgever in een bepaald dossier van een belangrijke cliënt tal van voorschriften en regels overtreedt. Uiteindelijk stuurt hij op 5 september 2008 de betrokken functionarissen van de bank een e-mail waarin hij de belangrijkste verwijten aan de bank opneemt en ontslag neemt (op staande voet). Deze mail stuurt hij in bcc aan de betreffende cliënt. De bank start een procedure tegen de werknemer, waarin zij (onder meer) stelt dat werknemer met dit handelen zijn contractuele geheimhoudingsbeding heeft geschonden en bovendien in strijd met de norm van goed werknemerschap heeft gehandeld.

In de kern draait deze zaak om de vraag of voor het ter beschikking stellen van de informatie door de werknemer aan de cliënt, een rechtvaardiging bestond. Volgens werknemer was dit het geval. Hij stelt dat hij als klokkenluider heeft gehandeld door misstanden naar buiten te brengen en dat hem daarom bescherming toekomt. Werknemer stelt bovendien dat hij op grond van wetgeving en interne regelgeving verplicht/gerechtigd was de cliënt te informeren over die misstand.

Oordeel Kantonrechter en Hof

De werknemer vangt in eerste aanleg en appel bot. Volgens het Hof had de werknemer de door hem gestelde misstand eerst bij een leidinggevende of andere competente functionaris binnen de bank, dan wel bij de (indirecte) aandeelhouders van de bank moeten melden, alvorens de hem als werknemer passende loyaliteit en discretie tegenover zijn werkgever, te laten varen en het geheimhoudingsbeding te overtreden. Zowel kantonrechter als Hof oordelen dat met de handelwijze van de werknemer geen “zwaarwegend publiek belang” gediend was, maar enkel het belang van de cliënt. Aan het verweer van werknemer dat hij op grond van (interne) regelgeving verplicht was om de door hem gestelde misstand aan de cliënt te melden, wordt voorbij gegaan.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, onder meer vanwege het passeren van dit laatste verweer van de werknemer. Samengevat blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad het volgende:

  • Op grond van de norm van goed werknemerschap is werknemer tegenover zijn werkgever in beginsel gehouden tot discretie en loyaliteit; 
  • Die verplichting van de werknemer geldt óók indien de werknemer van mening is dat binnen de organisatie sprake is van een misstand die in het algemeen belang dient te worden bestreden; 
  • Een werknemer handelt in beginsel niet als goed werknemer als hij vertrouwelijke informatie ter beschikking stelt aan derden, terwijl ter bestrijding van de door hem gestelde misstand ook andere, voor zijn werkgever minder schadelijke, wegen open stonden;

Tot zover weinig nieuws. Al eerder werd geoordeeld dat een “klokkenluider” geen bescherming geniet als hij de vermeende misstand niet eerst intern heeft gemeld. Belangrijk is echter wat de Hoge Raad vervolgens overweegt:

  • Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op het verweer van de werknemer dat zijn handelwijze strookt met de interne regelgeving van de bank. Die regels strekken er volgens werknemer (en dat heeft het Hof niet onjuist bevonden) toe om het belang van de organisatie in gevallen als waarover werknemer de melding aan de cliënt heeft gedaan, ondergeschikt te maken aan het belang van de cliënt en de gedragingen van de werknemer ter bescherming van dat laatste belang gerechtvaardigd te doen zijn, waar zij normaal gesproken niet geoorloofd zouden zijn; 
  • Op basis van de strekking van deze regels, valt zonder toelichting (die het Hof dus niet heeft gegeven) volgens de Hoge Raad niet in te zien waarom de loyaliteit en discretie (de norm van goed werknemerschap) zouden vergen dat de werknemer onder de door hem gestelde omstandigheden de misstand bij de bank, aandeelhouders of AFM meldt en niet – eerst – bij de cliënt.
  • Ten aanzien van de door het Hof gestelde eis van melding van de misstand bij een functionaris binnen de bank, moet daarbij in aanmerking worden genomen dat de door de werknemer gestelde misstand betrekking had op de directieleden van de bank (hoogste functionarissen). Daarvan uitgaande valt volgens de Hoge Raad niet in te zien dat een melding bij een functionaris enig effect zou hebben gehad.

Conclusie

Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden een uitzondering mogelijk is op de (nog altijd geldende) hoofdregel dat een werknemer als goed werknemer verplicht is tot loyaliteit en discretie tegenover zijn werkgever, dat die verplichting ook geldt bij misstanden die in het algemeen belang moeten worden bestreden en dat werknemer bij de bestrijding van die misstanden als goed werknemer jegens zijn werkgever het proportionaliteit- en subsidiariteitsbeginsel in acht moet nemen.