Misbruik van inzagerecht Wbp

vrijdag, 16 december 2016

Net als bij de Wet openbaarheid bestuur wordt soms oneigenlijk gebruik gemaakt van het recht op inzage. Het gaat dan om situaties waarbij het recht op inzage wordt gebruikt voor een ander doel dan waar het voor is bedoeld. De bedoeling van het recht op inzage is om degene, van wie persoonsgegevens worden verwerkt, toegang te verschaffen tot die gegevens “zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen”. Zie ook het Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2014:2081, RO. 44).

Misbruik van het recht op inzage kan bijvoorbeeld bestaan uit omvangrijke verzoeken met als doel de verantwoordelijke op kosten te jagen. Of fishing expedities gericht op het verbeteren van een procespositie, waarbij de juistheid en de rechtmatigheid van een verwerking buiten discussie staan. Misbruik van het inzagerecht is lastig vast te stellen omdat de verzoeker geen reden voor zijn verzoek hoeft op te geven. Daarbij rust de bewijslast op de verantwoordelijke.  In de zogenaamde DEXIA-zaken heeft de Hoge Raad zich hier over uitgelaten (ECLI:NL:HR:2007:AZ4663). Bij  het vaststellen van misbruik van recht kan het soms helpen als een eerder verzoek om informatie, gebaseerd op art. 843a Rv, is afgewezen.

In een recente zaak stelde de Rechtbank Gelderland dat “tijdens de mondelinge behandeling de rechtbank echter genoegzaam duidelijk is geworden dat het verzoek van [eiseres] uiteindelijk niet erop is gericht met het oog op een controle op juistheid en zo nodig rectificatie uitputtend te weten te komen welke feitelijke persoonsgegevens betreffende [eiseres] Veduma (in haar analyse heeft) verwerkt. Zij beoogt de integrale overlegging van door haar geselecteerde informatiedragers. Uit het feit dat [eiseres] , ter zitting gevraagd naar haar belang bij een beslissing op haar verzoek in het geval het gerechtshof haar vordering alsnog zou afwijzen, erop heeft gewezen dat zij dan vanwege de mogelijkheid van cassatie belang bij haar verzoek blijft houden, moet worden afgeleid dat het [eiseres] uiteindelijk niet gaat om de juistheid van haar betreffende feitelijke persoonsgegevens die op die informatiedragers voorkomen.” (ECLI:NL:RBGEL:2016:6691, RO. 2.13.) De Rechtbank concludeerde dan ook dat het verzoek niet toewijsbaar was.

Conclusie is dat een kennelijk oneigenlijk verzoek om inzage niet automatisch hoeft te worden gehonoreerd. De verantwoordelijke moet dan wel in voldoende mate aannemelijk kunnen maken dat het de verzoeker er niet om gaat dat hij zich kan vergewissen van de juistheid en rechtmatigheid van de verwerking van zijn gegevens.