Minister gaat uitspraak Hof van Justitie over betaalde informatienummers uitvoeren

donderdag, 30 maart 2017

In een eerdere bijdrage berichtte ik over de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 2 maart jl. inzake betaalde informatienummers. Kort gezegd besliste het Europese Hof van Justitie in deze zaak dat art. 21 van de Europese richtlijn betreffende consumentenrechten (hierna ‘de Richtlijn’) meebrengt dat de kosten van een oproep over een gesloten overeenkomst naar een door de onderneming opengestelde servicelijn niet meer mogen bedragen dan de kosten van deze oproep naar een gewoon vast geografisch of mobiel nummer.

De eerste alinea van art. 21 van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten erop toe zien dat handelaren die een telefoonnummer openstellen voor consumenten zodat deze per telefoon met de handelaren contact kunnen opnemen over de door hen gesloten overeenkomsten, de consumenten voor dergelijke telefonische contacten niet meer in rekening brengen dan het basistarief. In de tweede alinea van dit artikel is bepaald dat de eerste alinea de rechten van aanbieders van telecommunicatiediensten om voor die telefoongesprekken kosten in rekening te brengen, onverlet laat.

Nederland heeft als lidstaat van de Europese Unie door middel van twee wettelijke regelingen uitvoering gegeven aan art. 21 van de Richtlijn: (i) door middel van art. 6:230k lid 2 BW en (ii) door middel van art. 3.2g Regeling Universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen (Rude). In mijn vorige bericht over dit onderwerp ben ik ingegaan op art. 6:230k lid 2 BW.

Op basis van het huidige art. 3.2g Rude mag de telecomoperator aan de eindgebruiker niet meer in rekening brengen dan (i) het verkeerstarief (d.w.z. de gebruikelijke belkosten) en (ii) het informatietarief van de onderneming die het 090x-nummer gebruikt voor klantenserviceoproepen. Het is de onderneming volgens dit artikel verboden om voor een oproep naar dit nummer aan de klant een informatietarief per tijdseenheid te hanteren. Wel mag de onderneming voor een dergelijke oproep een informatietarief van maximaal 1 euro per gesprek hanteren. Het verkeerstarief van de telecomoperator is geregeld in art. 5 Besluit Interoperabiliteit.

De beslissing van Hof van Justitie brengt mee dat Nederland art. 21 van de Richtlijn in art. 3.2g Rude niet goed heeft uitgevoerd, omdat de term ‘basistarief’ uit art. 21 Richtlijn slechts het verkeerstarief omvat en dit artikel geen ruimte biedt voor het in rekening brengen van een informatietarief. Art. 6:230k lid 2 BW behoeft geen aanpassing naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie omdat daarin overeenkomstig de Richtlijn de term “basistarief” wordt gebruikt.

Het Ministerie van Economische Zaken heeft een ontwerp-regeling houdende wijziging van art. 3.2g Rude gepubliceerd, waarmee deze regeling in lijn wordt gebracht met het hiervoor bedoelde arrest van het Hof van Justitie. Het is de bedoeling dat met ingang van 1 juli 2017 aan de klant die via een 090x-klantenservicenummer contact opneemt met de klantenservice van een onderneming, alleen nog een verkeerstarief in rekening wordt gebracht. Het is de telecomoperator op grond van deze nieuwe regeling per 1 juli 2017 niet meer toegestaan om ten behoeve van de onderneming bij gebruik van een 090x-klantenservicenummer een informatietarief in rekening te brengen.

Hoewel de Richtlijn niet van toepassing is op alle soorten overeenkomsten, is er voor gekozen om art. 3.2g Rude toe te passen op alle overeenkomsten die consumenten met handelaren sluiten. Dit besluit is gebaseerd op de gedachte dat consumenten effectief dienen te worden beschermd tegen een hoog oplopende telefoonrekening bij oproepen aan klantenservicenummers. De voorgestelde wijziging van art. 3.2 Rude zal geen verandering van de reikwijdte van de bepalingen van dit artikel meebrengen. Daarmee is de reikwijdte van art. 3.2g Rude ruimer dan de reikwijdte van art. 6:230k lid 2 BW, dat niet van toepassing is op de overeenkomsten genoemd in art. 6:230h lid 2 BW.

Wat betreft de handhaving leidt de tweeledige uitvoering van art. 21 Richtlijn tot een ietwat ondoorzichtige situatie. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) kan het verbod voor een onderneming om meer dan het basistarief in rekening te brengen voor een oproep aan haar klantenservicenummer niet handhaven op basis van art. 8:2a Wet handhaving consumentenbescherming als het gaat om een consumentenovereenkomst waarop afdeling 6.5.2B BW als gevolg van art. 6:230h BW niet van toepassing is. De ACM kan door de ruime reikwijdte van art. 3.2g Rude in deze gevallen het verbod wel handhaven op grond van art. 15.1 lid 3 Telecommunicatiewet. Wat betreft de maximaal op te leggen boete is er geen verschil. Deze bedraagt voor beide regelingen maximaal 900.000 euro of 1 % van de omzet van de overtreder. Zie art. 15.4 lid 2 Telecommunicatiewet en art. 2.15 lid 1 Wet handhaving consumentenbescherming.

Meer weten? Neem vrijblijvend contact op met Rob van Esch