Minder hoge leges na invoering van de Wabo?

vrijdag, 21 januari 2011

Gemeentelijke belastingen vormen een jaarlijkse terugkerende bron van ergernis, met name omdat deze elk jaar toenemen. De kritiek richt zich meestal op de hoogte van de WOZ-aanslag. Het indienen van een bezwaarschrift leidt echter zelden tot succes.

Dit kan anders liggen bij het aanvechten van (bouw-)leges. Het specifieke van leges is dat tegenover de betaling van leges (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het betalen van hondenbelasting) een individuele tegenprestatie van de overheid staat. Bijvoorbeeld: In het geval van een omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen (voor het gemak hierna aangeduid met bouwaanvraag) betaalt de aanvrager voor dienstverlening (c.q. hij trekt profijt) van de gemeente inzake het behandelen van zijn bouwaanvraag. Een ander onderscheid ten opzichte van de ‘reguliere’ gemeentelijke belastingen is dat bij het heffen van leges geen winst mag worden gemaakt, met andere woorden de leges mogen uitsluitend kostendekkend zijn.

Op dit punt wringt het in de praktijk. Leges zijn namelijk een belangrijke inkomstenbron voor gemeenten, omdat de kosten van de behandeling van een bouwaanvraag (met name bij een hoge bouwsom) vaak aanzienlijk lager zijn dan de legesopbrengst die de gemeente hiermee verwerft. Zo worden tarieven voor andere gemeentelijke diensten kunstmatig laag gehouden, met als gevolg dat degenen die bouwleges verschuldigd zijn in feite de rekening betalen voor de andere in de legesverordening opgenomen diensten. Dit wordt kruissubsidiëring genoemd. In procedures inzake (bouw)leges komt regelmatig de vraag naar voren  of gemeenten ‘misbruik’ maken van hun bevoegdheid door bouwleges te heffen zonder dat hier dito kosten tegenover staan.

In de afgelopen jaren zijn hoge bouwlegesaanslagen (van enkele honderdduizenden euro’s tot een miljoen) door de rechter vernietigd, omdat de betreffende gemeente niet kon aantonen dat het totaal van de legesopbrengst kleiner was dan het totaal van de kosten ter zake. De Hoge Raad heeft echter deze beslissingen ongedaan gemaakt vanuit het gegeven dat gemeenten een grote vrijheid hebben bij de vaststelling van gemeentelijke belastingen. De enige restrictie is dat de (in totaal) via de leges door te berekenen kosten maximaal 100% kostendekkend mogen zijn, met andere woorden: de gemeente mag geen winst maken. In dit verband dient de gemeente op controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven zij door elk van de heffingen in de legesverordening beoogt te dekken. Daarnaast moet de gemeente een nauwkeurige raming van de kosten maken. Dit alles op straffe van het onverbindend verklaren door de rechter van de legesverordening of de aanslag met als gevolg dat de grondslag wegvalt en daarmee ook de verschuldigdheid tot het betalen van leges.

Klik hier om het gehele artikel te lezen