Mededingingsrecht voor vakbonden en ondernemingsraad

dinsdag, 6 augustus 2013

Middenin de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, boeken de grootste bedrijven recordwinsten. En dat terwijl de vraag naar arbeid stagneert. Hoe is dit mogelijk? Econoom en nobelprijswinnaar Paul Krugman biedt twee verklaringen: robots en rovers. Met name die laatste verklaring is mededingingsrechtelijk interessant. Kan graaikapitaal mededingingsrechtelijk worden afgeremd?

Sinds de economische crisis neemt ‘bedrijfsresultaat’ als onderdeel van het nationaal inkomen toe – terwijl ‘arbeidsloon’ achterblijft. Dit speelt in de Verenigde Staten, maar ook in de Europese Unie. Een opmerkelijke ontwikkeling. Het lijkt niet uit te maken of het laag- of hoogopgeleide werknemers betreft. De kloof tussen beiden vergroot niet langer. Aan beide zijden van het spectrum blijft loonontwikkeling achter. Vooral het bedrijfsresultaat floreert. Corporate profits.

Technologie wordt goedkoper dan arbeid

Krugman zoekt de verklaring ten eerste in technologie: ‘robots’. De zoektocht naar lage loonlanden wordt volgens hem in toenemende mate overbodig. Inmiddels kunnen robots vaak werk beter doen dan goedkope handen, elders op de wereld. Krugman gaat bij zijn analyse twee eeuwen terug. Zelfs toen al waren er al economen als David Ricardo, die wezen op de potentieel nadelige gevolgen van technologie voor de loonontwikkeling van werknemers.

Repatriëring van (voorheen) arbeidsintensieve productie kan buitengewoon aantrekkelijk zijn. De economie heeft er kennelijk baat bij. Het ligt politiek goed. Productie bij consumptie spaart transportkosten uit. En het voorkomt zaken doen in ‘moeilijke’ plaatsen. Immers overheden en bedrijven in het Westen kijken daar steeds kritischer naar. Vergelijk bijvoorbeeld de UK Bribery Act, die overal ter wereld corruptie bestraft, of het recente besluit van Shell zich terug te trekken uit de Nigerdelta.

Consolidatie bedrijfsbelangen onderdrukt loonontwikkeling

Technologie is één verklaring. De andere verklaring die Krugman aanvoert, is het idee dat partijen misbruik zijn gaan maken van hun dominante positie. ‘Rovers’, die een monopolie of oligopolie hebben ontwikkeld, dat zij inmiddels kunnen inzetten om, ook ten koste van hun eigen werknemers, steeds meer voor zichzelf te houden. Een steeds groter deel van de taart.

Krugman ontleent zijn tweede verklaring aan een betoog van Barry Lynn en Philip Longman van de New America Foundation:

It is now widely accepted among scholars that small businesses are responsible for most of the net job creation in the United States. It is also widely agreed that small businesses tend to be more inventive, producing more patents per employee, for example, than do larger firms. Less well established is what role concentration plays in suppressing new business formation and the expansion of existing businesses, along with the jobs and innovation that go with such growth. Evidence is growing, however, that the radical, wide-ranging consolidation of recent years has reduced job creation at both big and small firms simultaneously. At one extreme, ever more dominant Goliaths increasingly lack any real incentive to create new jobs; after all, many can increase their earnings merely by using their power to charge customers more or pay suppliers less. At the other extreme, the people who run our small enterprises enjoy fewer opportunities than in the past to grow their businesses. The Goliaths of today are so big and so adept at protecting their turf that they leave few niches open to exploit.

Of het afbreken van consolidatie onmiddellijk leidt tot een hogere vraag naar arbeid, met (derhalve) betere arbeidsvoorwaarden, weet ik nog zo niet. Maar de auteurs lijken een punt te hebben, als zij de hoge bedrijfsresultaten in crisistijd althans ten dele attribueren aan consolidatie van bedrijfsbelangen.

Mededingingsrecht voor vakbonden en ondernemingsraad?

Kunnen wij uit deze macro-economische discussie in de Verenigde Staten lessen trekken? Zijn in de Europese Unie onze economieën op de meest efficiënte wijze geordend en ingericht? Meer concreet: als wij ervan uitgaan dat een meer evenwichtigere winstverdeling tussen arbeid en kapitaal ook meer economische groei oplevert, kan het Europese en Nederlandse mededingingsrecht daaraan een bijdrage leveren? Voor het antwoord op die vraag lijken mij twee mededingingsrechtelijke onderwerpen van belang.

Het Europese en Nederlandse mededingingsrecht regelt ten eerste wat een bedrijf moet doen, als het wil ‘concentreren’ met een ander bedrijf (bijvoorbeeld door een fusie, overname of joint venture). Bij grotere concentraties is toestemming nodig van de toezichthouder. Met andere woorden: die heeft de gelegenheid te controleren of de voorgenomen concentratie wenselijk is, aan de hand van het mededingingsrecht.

Over het algemeen lijken interne (arbeids)verhoudingen bij deze beoordeling nog niet of nauwelijks een rol te spelen. Het zou interessant zijn als de politiek gaat onderzoeken welke mogelijkheden de toezichthouder heeft dergelijke verhoudingen bij haar beoordeling te betrekken – en daar vervolgens aanbevelingen of instructies over opstelt.

Het Europese en Nederlandse mededingingsrecht kent ten tweede bepalingen die misbruik van een dominante positie tegengaan (bijvoorbeeld van een monopolist). In theorie kan de toezichthouder derhalve ongewenste consolidering van bedrijfsbelangen tegengaan, op het moment dat deze ongewenst gedrag begint te vertonen.

Echter in de praktijk blijkt,  in algemene zin, dat de weg naar effectieve rechtsbescherming buitengewoon kostbaar en tijdrovend is. Bij mijn weten zijn daarbij, in concrete zin, nog nimmer de macro-economische implicaties voor de interne (arbeids)verhoudingen ter discussie gesteld. Het zal dus aankomen op de eerste ondernemingsraad of vakbond die het waagt intern de knuppel in het hoenderhok te gooien, en op basis van de misbruikbepalingen de interne winstverdeling ter discussie stelt.

Het is een andere aanvliegroute dan onderhandelingen met vakbonden of ondernemingsraad, maar het mededingingsrecht zou onder omstandigheden wellicht een instrument kunnen zijn om interne (arbeids)verhoudingen ter discussie te stellen.