Mag werknemer aan zijn concurrentiebeding worden gehouden?

maandag, 1 januari 2001

In deze zaak wordt werknemer bij iedere contractsverlenging of wel omzetting gehouden aan het concurrentiebeding, welke in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst is overeengekomen. De vraag is thans of dit concurrentiebeding zijn werking heeft verloren of desalniettemin onverminderd van kracht is gebleven.

De feiten

Werknemer is met ingang van 1 april 2007 bij werkgever in dienst getreden als junior vertegenwoordiger. Partijen zijn bij de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 28 februari 2007 een concurrentiebeding overeengekomen. In de periode van 14 september 2007 tot 1 april 2008 heeft werknemer contracten voor bepaalde tijd gekregen. Na 1 april 2008 kreeg hij een contract voor onbepaalde tijd. Bij de overeengekomen arbeidsovereenkomsten is aan werknemer schriftelijk medegedeeld: "hetgeen is overeengekomen in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 28 februari 2007, blijft onverminderd van kracht".

Bij schrijven van 22 november 2010 heeft werknemer aan werkgever laten weten dat hij een aanbieding heeft gekregen om bij een concurrent in dienst te treden. Omtrent het concurrentiebeding zou hij juridisch advies hebben ingewonnen met als conclusie dat hij hier niet aan zou zijn gebonden. Werkgever heeft op 1 december 2010 schriftelijk aan werknemer laten weten dat hij aan het concurrentiebeding wordt gehouden. Voorts heeft hij werknemer per 9 december 2010 op non-actief gesteld en een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend.

Werknemer stelt in kort geding dat het concurrentiebeding zijn geldigheid heeft verloren. Op straffe van een dwangsom vordert hij o.a. primair dat werkgever hem er niet aan in de weg mag staan bij de concurrent in dienst te treden. Bovendien vordert hij een bedrag van € 2350,- voor de niet ontvangen dertiende maand en een bedrag ad € 729,29 voor de ingenomen leaseauto, waardoor hij hier geen gebruik meer van kon maken.

Werkgever is daarentegen van oordeel dat alle vorderingen moeten worden afgewezen, daar hij werknemer aan het concurrentiebeding mag houden. Tevens betwist hij de gevorderde geldbedragen.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter komt tot de voorlopige conclusie dat werknemer niet meer aan het concurrentiebeding is gebonden, daar deze zijn werking heeft verloren. De tussen partijen overeengekomen arbeidsovereenkomsten zijn verlengd dan wel omgezet. Wanneer een arbeidsovereenkomst wordt verlengd of omgezet ontstaan er nieuwe overeenkomsten, welke voor een geldig concurrentiebeding aan het schriftelijkheidsvereiste dienen te voldoen. De verwijzingen, zoals hiervoor weergegeven, in de brieven worden daarvoor onvoldoende geacht. In deze brieven werd immers niet naar het concurrentiebeding verwezen en ook is nagelaten de tekst van het concurrentbeding in de brief op te nemen of bij te voegen.

Het gevorderde bedrag ad € 2350,-, betreffende de dertiende maand, wordt toegewezen. Het gevorderde bedrag van € 729,29 wordt daarentegen afgewezen, daar de kantonrechter niet aannemelijk acht dat de bodemrechter dit bedrag zal toewijzen.

Kortom, het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat werknemer niet aan zijn concurrentiebeding mag worden gehouden. De vordering ad € 2350,- wordt toegewezen en werkgever wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

www.rechtspraak.nl, LJN: BP2173

 

Auteur