Lindt's chocoladebeer in gouden verpakking maatje te groot voor Haribo's gummibeertjes: géén merkinbreuk en géén slaafse nabootsing, oordeelt BGH

donderdag, 24 september 2015

Geen paniek voor de liefhebbers van Lindt’s chocoladebeer in gouden verpakking. De hoogste Duitse rechter - het Bundesgerichtshof (BGH) - oordeelde vandaag dat Lindt zich met deze beer niet schuldig maakt aan merkinbreuk ten opzichte van Haribo. Evenmin maakt Lindt zich schuldig aan slaafse nabootsing: de chocoladebeer is geen kopie van Haribo’s gummibeertje.

Haribo beschikt voor haar gummibeertje, die zij ook aanduidt als ‘GOLDBÄREN’ over een aantal ingeschreven ‘gouden’ woordmerken, namelijk ‘Goldbären’, ‘Goldbär’ en ‘Gold-Teddy’. Lindt brengt haar in goudgekleurd aluminiumfolie verpakte chocoladebeer - genaamd ‘Lindt Teddy’ - sinds 2011 op de markt. Met het merk ‘Gold-Teddy’ maakte het BGH korte metten. Haribo had dat merk ingeschreven nadat de 'Lindt Teddy' op de markt kwam en wel alleen om Lindt dwars te zitten. Dat is ongeoorloofd.

Dit was Haribo een doorn in het oog. Zij vorderde in een procedure voor de Duitse rechter dat Lindt de verkoop van deze chocoladebeer moest stoppen, dat Lindt haar chocoladeberenvoorraad moest vernietigen en dat Lindt schadevergoeding moest betalen. Lindt zou zich schuldig maken aan merkinbreuk en slaafse nabootsing.

In eerste instantie kreeg Haribo gelijk, maar in hoger beroep werd in het voordeel van Lindt geoordeeld. Haribo stapte daarna tevergeefs naar het BGH. Het BGH oordeelde dat in hoger beroep terecht was geoordeeld dat van merkinbreuk en slaafse nabootsing geen sprake was.

De merken ‘Goldbär’ en ‘Goldbären’ zijn volgens het BGH weliswaar bekende merken en de producten van Haribo en Lindt zeer soortgelijk, dit betekent nog niet dat sprake is van het voor het aannemen van merkinbreuk vereiste verwarringsgevaar of het in gedachten ‘linken’ van de Haribo merken met de kenmerken van het product van Lindt (bijvoorbeeld de gouden wikkel om de chocoladebeer).

Het BHG heeft - kort gezegd - beslist dat bij de beoordeling van de vraag of Lindt zich schuldig maakt aan inbreuk op de woordmerken van Haribo, niet de vorm van de Haribo gummibeertjes in ogenschouw mag worden genomen. Anders - zo redeneert het BGH - zou via de boeg van woordmerken - die beogen woordmerken en niet vormen te beschermen - vormen die met het woordmerk zouden kunnen c.q. worden aangeduid, worden gemonopoliseerd. Dat de in gouden aluminium gewikkelde chocoladebeer misschien daadwerkelijk of in gedachten bij het publiek te boek staat als ‘Goldbär’, is onvoldoende voor inbreuk op de ingeroepen woordmerken. Of anders(om) gezegd: onvoldoende is dat zo’n woordmerk een aanduiding is van de productvorm (een in gouden aluminiumfolie gewikkelde chocoladebeer kan men ‘Goldbär’ noemen). Het BGH constateert overigens nog dat voor een in gouden aluminiumfolie gewikkelde chocoladebeer ook andere aanduidingen kunnen worden gebruikt, zoals ‘Teddy’, ‘chocoladebeer’ of ‘chocolade-Teddy’.

Van slaafse nabootsing is ook geen sprake, omdat de Lindt beer en het Haribo gummibeertje onvoldoende op elkaar lijken.

Interessant zijn vooral de bespiegelingen van het BHG over de reikwijdte van woordmerken. In het algemeen is men geneigd bij inbreuken op zo’n merk vooral te denken aan het gebruik van identieke of soortgelijke woordmerken door (hoofdzakelijk) concurrenten. Maar wat als het publiek (of die concurrenten) op een vorm zo’n merk kan ‘plakken’ (niet letterlijk, maar figuurlijk), terwijl het merk op die vorm niet aanwezig is? Op het eerste gezicht zou men denken dat dit een achterhoedegevecht is. De onderhavige zaak leert dat men daar toch tot bij het BGH over kan debatteren en dat dat geen fictie is.