Kort geding na weigering ACM tot vertalen van processtukken

vrijdag, 16 mei 2014

Op 15 mei 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de ‘meelzaak’. Het betrof echter niet de uitspraak op het beroep dat enkele meelproducenten hebben aangetekend tegen de eerder opgelegde boetes door ACM. In deze zaak staat de weigering van ACM om tot een Engelse vertaling van een aantal processtukken uit de ‘meelzaak’ centraal. Enkele bedrijven waren namelijk een kort geding gestart nadat ACM weigerde om tot vertaling van een aantal processtukken over te gaan.

De verzoeksters hebben ACM verzocht om tot vertaling van een aantal processtukken over te gaan. ACM heeft dit verzoek afgewezen, omdat de bedrijven deel uitmaken van een economische eenheid / groep waar personen werkzaam zijn die de Nederlandse taal beheersen. ACM is derhalve van mening dat verzoeksters op de hoogte kunnen zijn van de inhoud van de diverse stukken. Verzoeksters hebben hier bezwaar tegen gemaakt en ACM verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op grond van artikel 7:1a Algemene wet bestuursrecht (Awb). ACM heeft met dit verzoek ingestemd. Verzoeksters hebben echter tegelijkertijd een kort geding aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter te Rotterdam.

De voorzieningenrechter dient drie rechtsvragen te beantwoorden. Allereerst moet hij een oordeel geven over de vraag of de schriftelijke weigering van de ACM om tot vertaling over te gaan te zien is als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Dit moet worden beoordeeld in het licht van artikel 6 lid 3 aanhef en sub a EVRM. In dit artikel staat omschreven dat de betrokkene onverwijld op de hoogte moet worden gesteld in een taal die hij verstaat. Een weigering van de ACM heeft mogelijk tot gevolg dat verzoeksters dit recht wordt ontzegd.

Als sprake zou zijn van een besluit, dient de voorzieningenrechter vervolgens de vraag te beantwoorden of artikel 6:3 Awb verhindert dat de weigering (afzonderlijk) voor bezwaar en beroep vatbaar is. Hierbij moet worden bezien of de belanghebbende rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Aangezien artikel 6 lid 3 aanhef en sub a EVRM spreekt over een “onverwijld recht op een vertaling”, kan worden gezegd dat het door ACM afwijzen van het verzoek om vertaling verzoeksters rechtstreeks in hun belang treft.

Als de voorzieningenrechter besluit dat weigering voor bezwaar en beroep vatbaar is, komt de voorzieningenrechter toe aan de laatste vraag, namelijk of het recht op vertaling toekomt aan de onderneming (standpunt ACM) of aan de rechtspersoon (standpunt verzoeksters). De Mededingingswet hanteert hier een ruim ondernemingsbegrip. De Awb daarentegen gaat uit van rechtspersonen en natuurlijke personen,artikel 5:1 lid 3 Awb jo. artikel 5:49 lid 2 Awb.

De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat een kort geding zich in beginsel niet leent voor dergelijke principiële rechtsvragen. De voorzieningenrechter zal bevorderen dat een meervoudige kamer op relatief kort termijn het beroep gaat behandelen. Tot slot gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat de verzoeksters wel in enige mate op de hoogte zijn van de inhoud van de processtukken, zodat een voorlopige voorziening wordt afgewezen.