Karteldeelnemers kunnen schadevergoeding claimen van EU

dinsdag, 26 november 2013

Op 26 november 2013 bevestigde het Hof van Justitie van de EU het arrest van het Gerecht over deelname van Gascogne Sack Deutschland, Groupe Gascogne en Kendrion aan een kartel op de markt van industriële plastic zakken. Interessant aan deze zaak is het oordeel over de doorlooptijd van de gerechtelijke procedure. 5 jaar en 9 maanden was in dit geval te lang en kan de grondslag vormen voor een schadevergoeding, in te stellen door de karteldeelnemers tegen de EU.

In 2005 beboette de Commissie karteldeelnemers voor meer dan EUR 290 miljoen. De kartelinbreuk bestond voornamelijk uit: de vaststelling van prijzen, het opstellen van gemeenschappelijke prijscalculatieschema’s, de verdeling van markten, de toewijzing van verkoopquota, de toewijzing van afnemers, zaken en orders en de uitwisseling van informatie. Het kartel strekte zich uit over België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en Spanje.

Op 16 november 2011 verwierp de Europese rechter het beroep tot verlaging van de opgelegde boete voor wat betreft Gascogne en Kendrion. De ondernemingen zijn vervolgens in hoger beroep gegaan bij het Hof van Justitie van de EU (“Hof”).

Het Hof oordeelde onder meer dat de duur van de procedure enkel kan leiden tot terzijdelegging van een bestreden arrest in eerste aanleg, als het verloop van tijd impact heeft gehad op de uiteindelijke beslissing. In dit geval hebben Gascogne en Kendrion nagelaten te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat de uitkomst van het arrest anders zou zijn geweest, als het wel binnen een ‘redelijke termijn’ was gewezen.

Het Hof stelde verder vast dat een schadevordering tegen de EU een doeltreffend en algemeen toepasselijk rechtsmiddel is, zowel wat betreft materiële als immateriële schade. Partijen zullen een dergelijke vordering bij het Gerecht moeten indienen.

Het Gerecht zal de schadevordering vervolgens moeten beoordelen en hierbij rekening moeten houden met de algemene beginselen van de EU lidstaten voor de behandeling van beroepen gebaseerd op vergelijkbare schendingen.

Dat gezegd hebbende, oordeelde het Hof dat de doorlooptijd bij het Gerecht in dit geval – 5 jaar en 9 maanden – niet objectief gerechtvaardigd kan worden door (a) de complexiteit van de procedure, (b) het procesgedrag van partijen, of (c) de specifieke omstandigheden van een kartelprocedure. Het Hof meende daarom dat het recht van Gascogne en Kendrion onder het Handvest van de Europese Unie op een spoedige behandeling, althans binnen een redelijke termijn, geschonden was. Dit was een ‘voldoende ernstige inbreuk’ die aanleiding kan zijn voor een schadevergoeding, mits aan de overige daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.