Kartel mag Europese rechter aanklagen

donderdag, 15 januari 2015

Het industriële concern Kendrion N.V. uit Zeist mag van een EU tribunaal de Europese rechter zelf aanklagen – het Hof van Justitie van de EU te Luxemburg – omdat de rechter in eerste aanleg te lang zou hebben gedaan over de behandeling van een kartelzaak waar Kendrion bij betrokken was.

In 2005 kreeg Kendrion een kartelboete opgelegd door de Europese Commissie vanwege haar deelname aan een kartel voor industriële zakken, die gebruikt worden in de bouw en in de agrisector. Kendrion werd voor EUR 34 miljoen beboet. In totaal kregen 16 karteldeelnemers EUR 290 miljoen aan kartelboetes te verwerken.

In 2006 ging Kendrion in beroep bij het Gerecht in Luxemburg. Die verklaarde dit beroep ruim vijf jaar later ongegrond. Vervolgens ging Kendrion in hoger beroep bij het Hof van Justitie in Luxemburg. Dat oordeelde de klachten van Kendrion eveneens ongegrond, maar voegde er wel aan toe dat het recht van Kendrion op berechting binnen redelijke termijn geschonden was, doordat het Gerecht er vijf jaar en negen maanden over had gedaan tot een oordeel te komen. Dit was excessief lang:

94. Voor het Hof is er dus aanleiding te beslissen dat de schending door een rechterlijke instantie van de Unie van haar verplichting krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest om de aan haar voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te berechten, haar bestraffing moet vinden in het kader van een beroep tot schadevergoeding dat bij het Gerecht aanhangig wordt gemaakt, aangezien een dergelijk beroep tot schadevergoeding een effectief rechtsmiddel vormt.

95. Hieruit volgt dat een verzoek dat strekt tot herstel van de schade als gevolg van de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn door het Gerecht, niet rechtstreeks aan het Hof kan worden voorgelegd in het kader van een hogere voorziening, maar bij het Gerecht zelf moet worden ingediend.

In juni 2014 startte Kendrion gebaseerd op deze overwegingen een directe actie tot schadevergoeding tegen het Hof van Justitie van de EU (de juridische tak van de EU, waarvan onder meer het Gerecht en het Hof van Justitie deel uitmaken).

Op 6 januari 2015 oordeelde het EU tribunaal bij het Gerecht waarvoor Kendrion haar schadeclaim aanhangig maakte, dat Kendrion het Hof van Justitie van de EU inderdaad mag aanklagen voor schade wegens excessieve vertraging bij de behandeling van een beroep in een kartelzaak. De hoogste Europese rechter, die weerwoord bood, had nog betoogd dat niet de juridische tak van de EU, maar de uitvoerende tak aangeklaagd zou moeten worden. Echter dit verweer werd verworpen. Met andere woorden: het Hof van Justitie moet de 28 EU lidstaten vertegenwoordigen en als procespartij optreden tegenover Kendrion.

Commentaar

Opmerkelijk: het Gerecht wordt aangezocht te oordelen over vertragingsschade veroorzaakt door… het Gerecht. In hoeverre het Gerecht de schijn van belangenverstrengeling gaat voorkomen, bijvoorbeeld door het inrichten van een aparte kamer en/of het aanbrengen van Chinese walls, is nog onduidelijk. Mogelijk krijgt de Europese rechter in het vervolg te kampen met vraagstukken als de rechten van de verdediging en de eis van een onafhankelijke rechtspraak. Zulke vragen zijn des te saillanter, gezien de recente Opinie van 18 december 2014, waarbij de Europese rechter een blokkade opwierp voor de EU om toe te treden tot de Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (tegen de wil van de andere EU instituten in).

Kendrion betreedt met deze schadevordering terra incognita. De principiële overwegingen van het Hof van Justitie in het hoger beroep van haar kartelzaak lijken bemoedigend. Het is echter de vraag in hoeverre het daadwerkelijk haalbaar blijkt voor procespartijen om achteraf een (hoge) schadevergoeding te realiseren.

Vaak valt een deel van de vertraging in een procedure te verwijten aan de tactische keuzes van de procespartijen zelf. In de specifieke context van kartelzaken speelt mee dat er sprake kan zijn van parallelle beroepen, die vanuit overwegingen van proceseconomie gelijktijdig behandeld dienen te worden. Bovendien kan in de EU meespelen dat er in één of meer talen vertaald dient te worden. In zulke gevallen kan vermoedelijk niet gesproken worden van een “excessieve” vertraging die objectief aan de Europese rechter is toe te rekenen.

Wat betreft de schade, kan als verweer gelden dat er geen daadwerkelijke schade is geleden. Een beboete karteldeelnemer betaalt soms de kartelboete vooruit, hangende haar rechtszaak. Bij een voor haar gunstig arrest krijgt zij de betaalde boete terug met rente. Er is dan geen schade. Indien de beboete karteldeelnemer niet vooruit betaalt, maar een bankgarantie stelt, maakt zij weliswaar financieringskosten, maar dit is in beginsel haar eigen keuze. Mogelijk levert de schadebeperkingsplicht als aan de EU lidstaten gemeenschappelijk beginsel een legitiem verweer op voor de Europese rechter, indien zij met deze schadevordering wordt geconfronteerd.

Aan de andere kant heeft het Hof van Justitie van de EU de afgelopen jaren meermaalen bij de EU lidstaten aangedrongen op meer rechters, om de achterstand aan zaken weg te werken. In zoverre kan Kendrion hieraan een argument ontlenen, dat ook de rechters zelf van mening zijn dat zij zaken niet snel genoeg krijgen weggewerkt – met mogelijk schade voor procespartijen tot gevolg.