Kantonrechter zet Beleidsregels UWV WERKbedrijf inzake payrolling opzij

donderdag, 28 februari 2013

Bedrijven maken steeds meer gebruik van payrolling. Bij payrolling zijn drie partijen betrokken: een formele werkgever, een werknemer en een derde (opdrachtgever). Kenmerk van payrolling is dat de opdrachtgever zélf de werving en selectie van een (nieuwe) werknemer verzorgt, maar vervolgens een ander bedrijf benadert (het payroll-bedrijf) voor de invulling van het formeel werkgeverschap. De formele werkgever (payroll-bedrijf) neemt de werknemer in dienst, betaalt aan hem salaris en stelt hem op basis van een payroll-opdracht exclusief aan de opdrachtgever ter beschikking, om onder diens leiding en toezicht te werken. Met het oog op deze speciale constructie is in de Beleidsregels Ontslagtaak UWV WERKbedrijf een apart hoofdstuk opgenomen ten aanzien van payrolling. Deze Beleidsregels worden door de Kantonrechter te Rotterdam niet gevolgd.

Beleidsregels Ontslagtaak UWV WERKbedrijf

Op basis van de Beleidsregels wordt ervan uitgegaan dat indien de opdrachtgever de payroll-opdracht beëindigt, er sprake is van het verval van een arbeidsplaats bij het payroll-bedrijf. Voor het payroll-bedrijf is er dan een bedrijfseconomische reden voor ontslag. Het payroll-bedrijf hoeft in beginsel niet aan te geven wat de reden is voor de beëindiging van de opdracht door de opdrachtgever. Het afspiegelingsbeginsel dat normaliter bij een ontslag waarbij meerdere werknemers zijn betrokken, gevolgd dient te worden, wordt in dergelijke situaties niet onverkort toegepast. Reden daarvoor is dat het payroll-bedrijf geen enkele zeggenschap heeft over de werknemers die werkzaam zijn bij de verschillende opdrachtgevers van het payroll-bedrijf. Volgens de Beleidsregels dient de afspiegeling zich te beperken tot de werknemers van het payroll-bedrijf die werkzaam zijn bij de opdrachtgever, die de relatie met de werknemer van het payroll-bedrijf heeft beëindigd. Het payroll-bedrijf kan een beroep doen op de hardheidsclausule.

Casus

Een payroll-bedrijf heeft in opdracht van de Dienst Jeugd, Onderwijs en Samenleving (De Dienst) circa 140 medewerkers geplaatst in de functie van Ouderconsulent Scholen. De Dienst heeft de overeenkomst tot plaatsing van 44 ouderconsulenten opgezegd per 1 januari 2013. Het afspiegelingsbeginsel is daarbij niet, of niet juist toegepast.

Het payroll-bedrijf heeft De Dienst, althans de scholen waar de werknemers waren geplaatst, gevraagd het besluit te heroverwegen, met toepassing van een selectie conform het afspiegelingsbeginsel. Dat verzoek wordt niet gehonoreerd. De Dienst stelt dat zij geen invloed kan uitoefenen op de selectie. De selectie is gebaseerd op de (subsidie-) aanvragen ingediend door de afzonderlijke scholen. Er vindt in beginsel geen uitwisseling plaats tussen de ouderconsulenten die geplaatst zijn bij de afzonderlijke scholen.

UWV WERKbedrijf

Het payroll-bedrijf heeft de OR adviesprocedure doorlopen, melding gedaan van een collectief ontslag bij het UWV en vervolgens het UWV verzocht toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met de werknemers op te zeggen. De ontslagvergunningen zijn verleend. Met de opzegging van de contracten wordt de bedrijfseconomische redenen voor ontslag aangenomen. Ten aanzien van het niet toepassen van het afspiegelingsbeginsel stelt het UWV WERKbedrijf dat het payroll-bedrijf heeft geen zeggenschap over het personeelsbeleid bij de opdrachtgever en dat zij de opdrachtgever niet kan dwingen deze toe te passen. Het beroep op de hardheidsclausule wordt gehonoreerd.

Kantonrechter

Het payroll-bedrijf verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst van werknemers, ten aanzien van wie een ontslagverbod geldt (arbeidsongeschiktheid), te ontbinden, onder aanbieding van een financiële voorziening op basis van het Sociaal Plan. Het payroll-bedrijf doet een beroep op de reflexwerking van de Beleidsregels.

De kantonrechter wijst de verzochte ontbindingen af. De kantonrechter overweegt dat door de constructie van partijen moet worden heengekeken. Dit samenstel van overeenkomsten, moet worden aangemerkt als een arbeidsverhouding met de materiële werkgever. Dit leidt ertoe dat het payroll-bedrijf het afspiegelingsbeginsel binnen de materiële werkgever dient toe te passen. De kantonrechter overweegt dat de Beleidsregels Ontslagtaak UWV dit uitgangspunt miskennen, nu zij bij de beoordeling van een ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden enkel de toets aanleggen dat door de payroll-onderneming moet worden gevraagd aan de inlener of deze het afspiegelingsbeginsel wil toepassen, terwijl als deze dat dan weigert te doen (zoals in het onderhavige geval), de Beleidsregels erin voorzien dat toch een ontslagvergunning wordt verleend.

Conclusie: door het payroll-bedrijf (namens de opdrachtgever) dient te worden afgespiegeld binnen de materiële werkgever, te weten De Dienst.

De kantonrechter heeft de formele werkgever direct instructies gegeven voor een eventueel nieuw in te dienen ontbindingsverzoek:

    • het payroll-bedrijf dient uitgebreider dan zij thans heeft gedaan te motiveren waarom juist deze tien (arbeidsongeschikte) ouderconsulenten voor ontslag in aanmerking komen,
    • waarbij tevens de selectieprocedure door de opdrachtgever, althans door de afzonderlijke scholen, inzichtelijk gemaakt dient te worden,
    • en waarbij het afspiegelingsbeginsel juist dient te worden toegepast.
    • Door het payroll-bedrijf dient ook onderbouwd te worden in hoeverre bij de keuze (door de scholen of de opdrachtgever) de arbeidsongeschiktheid van de betreffende werknemers een rol heeft gespeeld.

Deze uitspraak leidt tot onzekerheid en onduidelijkheid over de te volgen selectieprocedure bij payrollbedrijven en diens opdrachtgevers. Het UWV zal desalniettemin haar Beleidsregels vooralsnog in huidige vorm handhaven.

Mocht deze uitspraak leiden tot wijziging van de Beleidsregels, of indien andersluidende jurisprudentie verschijnt, laten wij u dat uiteraard weten.