Kan een curator zich in een koopovereenkomst vrijtekenen voor eventuele dwaling aan koperszijde?

dinsdag, 24 november 2009

In het onderhavige zaak staat de vraag centraal in hoeverre een curator een beroep doen op een bepaling in een verkoopovereenkomst waarin hij zich vrijtekent, indien de wederpartij zich beroept op dwaling. 

Feiten
Op 14 december 2004 heeft de rechtbank Groningen Y C.V. in staat van faillissement verklaard, met benoeming van X tot curator. Ten tijde van het faillissement was Y C.V. onder meer eigenaar van een silo. De curator heeft, mede als gevolmachtigde van [betrokkenen], de onroerende zaken te koop aangeboden. In de verkoopinformatie had de curator opgenomen dat het dak van de silo is verhuurd als antenne-inrichting voor diverse telecombedrijven. De huuropbrengst daarvan bedroeg volgens de curator € 20.000,-- per jaar exclusief BTW.

In de van toepassing zijnde verkoopvoorwaarden had de curator opgenomen dat gegadigden de uitsluiting van alle risico's en het niet-afgeven van garanties aanvaarden en zij uitdrukkelijk afstand doen van iedere actie jegens de curator. Door X is een bod uitgebracht van € 728.164,--, dat door de curator en de ABN-AMRO Bank is geaccepteerd. Op 2 maart 2005 heeft A de curator meegedeeld dat uit de bij de koopovereenkomst gevoegde huur/verhuurcontracten blijkt dat de huuropbrengst van de antenne-inrichtingen per jaar € 13.000,-- bedraagt in plaats van de in de verkoopinformatie genoemde € 20.000,--. In vervolg hierop heeft A de curator een brief gedateerd 5 maart 2005 doen toekomen, waaruit afgeleid kan worden dat hij wegens een verkeerde voorstelling van zaken omtrent de huurinkomsten niet bereid is tot ondertekening van de koopovereenkomst en een beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens dwaling gedaan. Tussen partijen heeft daarna overleg plaatsgevonden, hetgeen erin heeft geresulteerd dat partijen op 31 maart 2005 zijn overeengekomen de koopprijs nader vast te stellen op € 662.000,--. Het gaat in deze zaak om de vraag of A op grond van dwaling over de hoogte van de huuropbrengsten van de antenne-inrichtingen een beroep toekomt op artikel 6:230 lid 2 BW. De rechtbank heeft de koopsom voor de verkochte zaken op grond van dwaling aan de zijde van A over de hoogte van de huuropbrengsten van de antenne-inrichting verminderd met € 40.000,--.

Standpunt curator in incidenteel appel en oordeel hof
Volgens de curator heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het beroep van A op dwaling ten aanzien van de opbrengsten van de antenne-inrichting opgaat. Volgens de curator komt A geen beroep op dwaling toe, omdat hij in het bezit was van alle relevante gegevens en zelf de nodige maatregelen had kunnen nemen om de opbrengsten te verifiëren. Volgens het hof miskent dit betoog echter dat naar vaste rechtspraak de mededelingsplicht in beginsel prevaleert boven de onderzoeksplicht

Voorts heeft de curator gestelde dat de curator op voormeld beginsel een uitzondering bepleit voor het (onderhavige) geval waarin sprake is van "niet te miskennen vrijtekeningen" in het contract. Naar het oordeel van het hof kan dit betoog niet zonder meer voor juist worden gehouden en vraagt dit om een nadere onderbouwing, ontbreekt.

Wel meent het hof (in het principaal appel aan de zijde van A), dat de curator zich in de eerste plaats heeft te richten naar het belang van de gezamenlijke schuldeisers en in dat kader dient te streven naar een zo groot mogelijk boedelactief. De curator moet bij de uitoefening van zijn taak volgens het hof uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen behartigen en zijn beslissingen kunnen vaak geen uitstel lijden. In deze omstandigheden is het voor de hand liggend dat een curator bij de verkoop van boedelbestanddelen gebruik maakt van exoneratiebedingen zoals de artikelen 4, 5 en 10 van de toepasselijke verkoopvoorwaarden.

(Hof Leeuwarden 10 november 2009, LJN BK2878www.rechtspraak.nl)