Is een werkgever gerechtigd tot eenzijdige wijziging van het ontslag(vergoedingen)beleid?

maandag, 1 januari 2001

In oktober 2007 heeft een consortium van een drietal bedrijven, waaronder Fortis aandelen in ABN AMRO Holding N.V. verworven. Aan de werknemers van ABN AMRO is te kennen gegeven dat de overname van de bank geen nadelige invloed op hun arbeidsvoorwaarden zal hebben. Ook heeft de bank meermalen, zowel mondeling als schriftelijk, meegedeeld dat het ontslag(vergoedingen)beleid in elk geval gedurende twee jaren - tot in oktober 2009 - van kracht zal blijven. Wanneer de arbeidsovereenkomst tussen werknemer X en ABN AMRO met wederzijds goedvinden wordt be?indigd, blijkt dat ABN AMRO het ontslag(vergoedingen)beleid eenzijdig heeft gewijzigd.

In het najaar van 2008 werd Nederland getroffen door een crisis in de financiële sector, de zogenoemde kredietcrisis. De Staat heeft ter voorkoming van destabilisatie van Fortis en ABN AMRO besloten deel te nemen in Fortis en - daarmee - in ABN AMRO. Deze overheidssteun werd door de Minister afhankelijk gesteld van een 'nieuw en duurzaam beloningsbeleid voor het senior management' en van een maximering van de ontslagvergoedingen. Op 19 februari 2009 heeft ABN AMRO op aandringen van de Minister van Financiën besloten met ingang van 1 januari 2009 het ontslag(vergoedingen)beleid aan te passen. Vanaf 1 januari 2009 wordt o.a. de C-factor van de kantonrechtersformule bijgesteld naar 1, waarbij de C-factor voorheen nog werd gesteld op 1,4.

Nadat X in april 2009 formeel boventallig was geworden, zijn partijen met wederzijds goedvinden overeengekomen dat het dienstverband per 1 juni 2009 eindigt. Tussen werknemer X en ABN AMRO is echter een geschil gerezen over het antwoord op de vraag of X een be?indigingsvergoeding toekomt van € 636.697,- bruto of van € 1.468.546,-. Verder is een verschil van mening ontstaan over de hoogte van de aan X toekomende bonus.

ABN AMRO beroept zich op de artikelen 7:611, 7:613, 6:258 en 6:248 lid 2 BW. ABN AMRO stelt dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden i.v.m. de kredietcrisis, waardoor van X als goed werknemer in de zin van artikel 7:611 BW mag worden verwacht zich neer te leggen bij het nieuw gehanteerde beleid.

X is echter van mening dat ABN AMRO hem een beëindigingsvergoeding verschuldigd is overeenkomstig het beleid dat tot 1 januari 2009 van kracht is geweest, en wel omdat hij reeds in de loop van 2008 boventallig is geworden. X beroept zich onder meer op de retentiebrief van 21 november 2007. Hierbij legt X aan zijn standpunt ten grondslag dat de retentiebrief het karakter heeft van een partijen bindende overeenkomst, althans dat ABN AMRO hem daarin toezeggingen heeft gedaan, die de bank rechtens gehouden is gestand te doen.

In antwoord op het door X gedane verzoek wordt beslist dat hem op grond van de retentiebrief van 21 november 2007 een ontslagvergoeding toekomt van € 1.468.546,- bruto. En op basis van de retentiebrief blijkt dat X redelijkerwijs geen betaling van de bonus over het hele jaar 2009 mocht verwachten, waardoor X niet meer bonus over 2009 toekomt dan al aan hem voldaan is.