'Interne' verkoop joint venture ook basis kartelboete

donderdag, 23 april 2015

Een joint venture die 'intern' producten of diensten verkoopt aan haar moedermaatschappijen, moet erop bedacht zijn dat deze verkoop (mede) de basis kan vormen voor de berekening van een kartelboete, zo heeft de Europese rechter vandaag geoordeeld.

LG Display, de grootste elektronicaproducent ter wereld op het gebied van LCD-schermen, is een joint venture van LG Electronics en Philips. De joint venture werd in 2010 beboet voor deelname aan een LCD-kartel, dat van 2001 tot 2006 liep. De Europese Commissie legde de kartellisten, zes Koreaanse en Taiwanese producenten, in totaal EUR 648,925 miljoen aan boetes op. LG Display kreeg daarvan EUR 215 miljoen voor de kiezen.

In 2014 liet het Gerecht van de EU de boete aan LG Display grotendeels in stand, met aftrek van EUR 5 miljoen. Reden waarom LG Display in hoger beroep ging bij het Hof van Justitie van de EU. Daarbij voerde zij onder meer aan, dat de Europese Commissie bij het berekenen van de boetegrondslag ten onrechte ook de 'interne' verkoop van producten aan de beide moedermaatschappijen heeft meegenomen. LG Display stelde dat dit verkoop was binnen dezelfde mededingingsrechtelijke entiteit, zodat de betrokken omzet niet de basis kon vormen bij het berekenen van de kartelboete. Die gaat uit van gerealiseerde omzet bij partijen buiten de onderneming.

Vandaag blijkt uit een persbericht van het Hof van Justitie van de EU dat het hoger beroep wordt afgewezen en het oordeel in eerste aanleg wordt bevestigd. Het ging om aparte ondernemingen. LG Display was niet verticaal geïntegreerd met haar moedermaatschappijen. Partijen dienen er daarom op bedacht te zijn dat dit soort 'interne' verkoop mee kan tellen bij het berekenen van een eventuele kartelboete. Daarbij is niet relevant of de 'interne' verkoopprijs anders is dan de 'externe': ook het argument dat de moedermaatschappijen niet geraakt konden zijn door het kartel (en de prijsverhogende werking die daarvan uitging), omdat die moedermaatschappijen steeds preferentieel tarief kregen, werd terzijde geschoven. Bewijs van daadwerkelijke benadeling is in deze context niet nodig, oordeelde de hoogste Europese rechter.

Op de hoogte blijven? 

Download hier onze eBooks en nieuwsbrieven.