Intellectuele eigendom en privacy in conflict: wat gaat voor?

dinsdag, 12 november 2013

Het recht op privacy en bescherming van persoonsgegevens zijn in tal van landen wettelijk gewaarborgd. Privacyschendingen brengen bovendien de nodige commotie teweeg. Maar hoe is de verhouding tussen intellectuele eigendomsrechten en het recht op privacy? Intellectuele eigendomsrechten beschermen de rechthebbende tegen - kort gezegd - inbreuken door anderen, zoals het kopiëren van een auteursrechtelijk beschermd werk, het toepassen van een geoctrooieerde uitvinding of het gebruik van verwarringwekkende merken. Intellectuele eigendomsrechten verschaffen de rechthebbende absolute verbodsrechten. De vraag daarbij is of de rechthebbende bij de uitoefening van deze verbodsrechten rekening moet houden met de privacy van de inbreukmaker. Of dient de privacy van de inbreukmaker te wijken voor het verbodsrecht van de rechthebbende? 

Bij botsingen tussen IE-rechten en het recht op privacy is ook de kans aanwezig van conflicterende regelgeving. Een voorbeeld ter illustratie. In art. 5 van de Europese richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie wordt bepaald dat het vertrouwelijke karakter van communicatie via openbare communicatienetwerken moet worden gewaarborgd. Onderscheppen of controleren van de communicatie en daarbij horende gegevens is zonder toestemming verboden, tenzij daar een wettelijke uitzondering voor bestaat. Alhoewel in de overwegingen van de Europese richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten staat dat de bescherming van de intellectuele eigendom geen belemmering mag vormen voor de bescherming van persoonsgegevens, biedt artikel 8 van dezelfde richtlijn rechters wel de mogelijkheid om op verzoek van de rechthebbende in een procedure over inbreuk op een IE-recht te bepalen dat de inbreukmaker of een derde informatie over de herkomst en de distributiekanalen met betrekking tot de inbreuk verstrekt.

Het Europees Hof van Justitie is in twee arresten (het Promusicae-arrest van 28 januari 2008 en het Bonnier Audio arrest van 19 april 2012) ingegaan op de vraag of een internetprovider de NAW gegevens van een inbreukmaker dient te verschaffen aan de rechthebbende. Het hof heeft in deze arresten geoordeeld dat de lidstaten de genoemde Europese richtlijnen aldus moeten uitleggen dat een juist evenwicht tussen de verschillende beschermde grondrechten wordt verzekerd.

Deze arresten hebben weliswaar betrekking op een specifieke vraag inzake internetproviders, maar het oordeel van het Europees hof biedt ook aanknopingspunten voor andere conflicten tussen IE-rechten en het recht op privacy van de inbreukmaker. Uitgangspunt is namelijk dat vóórdat inbreuk wordt gemaakt op de privacy van een (vermeende) inbreukmaker een belangenafweging zal moeten worden gemaakt tussen het belang van de rechthebbende bij het achterhalen van de gewenste informatie en het privacy belang van de inbreukmaker. Bij een dergelijke belangenafweging dient naar Nederlands recht te worden meegewogen of er een noodzaak bestaat om de gewenste informatie te achterhalen en of er een mogelijkheid bestaat om op een andere wijze aan deze informatie te komen. Als bijvoorbeeld de NAW gegevens van een inbreukmaker niet bekend zijn, maar via de website waar de inbreuk op is gepleegd wel een mogelijkheid bestaat om via een contactformulier of een e-mailadres in contact te komen met de inbreukmaker, dan brengt de belangenafweging mee dat die mogelijkheden eerst moeten worden benut voordat de NAW gegevens van de inbreukmaker bij een derde worden opgevraagd.  

Het recht op privacy van de inbreukmaker kan dus niet zomaar wijken voor de rechten van de rechthebbende. Het hoogste Duitse rechtscollege, het Bundesgerichtshof heeft op 17 oktober 2013 prejudiciële vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie over de afgifte van bankgegevens bij de verkoop van namaak merkproducten. Een licentiehouder van Davidoff-parfums had via eBay een namaak Davidoff Hot Water gekocht, maar het lukt niet om achter de identiteit van de verkoper/inbreukmaker te komen. Uiteindelijk heeft hij een vordering ingediend tegen de bank om de gegevens van de rekeninghouder van het rekeningnummer waarop hij het geld voor de aankoop van het namaakproduct had gestort, te verkrijgen. De vraag die het Europees hof mag beantwoorden is of de belangen van de merkhouder voorrang hebben op de geheimhoudingsplicht van de bank. Het antwoord wordt over een jaar of twee verwacht.