Inschrijvingsperikelen

donderdag, 11 november 2010

Een echtscheiding komt formeel tot stand door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente waarin de echtelieden zijn gehuwd. Deze inschrijving dient plaats te vinden binnen zes maanden nadat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Over het moment waarop dit laatste het geval is, bestond tot voor kort in sommige gevallen onduidelijkheid. Aan deze onduidelijkheid maakte de Hoge Raad op 22 oktober jl. een einde (LJN:BN 1258).

Wat was het geval? In de casus, die uiteindelijk aan de Hoge Raad werd voorgelegd, was op 12 december 2005 door de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De inschrijvingstermijn verliep in beginsel op 12 september 2006, dus na de hoger beroepstermijn van drie maanden en de inschrijvingstermijn van zes maanden. Op 14 maart 2006 stelde de vrouw echter appel in tegen de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank, waarbij zij aangaf het ook met de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding op zich niet eens te zijn. Bij beschikking van 31 mei 2006 verklaarde het hof de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep, omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. Op 13 september 2006 gaf de griffier van de Hoge Raad hierna een verklaring van non-cassatie af.

Vervolgens werd bij brief van 15 september 2006 aan de ambtenaar van de burgerlijke stand verzocht om tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking over te gaan. Deze ambtenaar weigerde aan het verzoek te voldoen in verband met de overschrijding van de wettelijke termijn, die eindigde op 12 september 2006. De ambtenaar kreeg hierin gelijk van het hof. Het hof oordeelde dat een te laat ingesteld hoger beroep niet tot gevolg heeft dat de beschikking in eerste aanleg niet in kracht van gewijsde is gegaan. De niet-ontvankelijkheid heeft tot gevolg dat er (achteraf bezien) in feite geen hoger beroep is geweest.

Tegen deze uitspraak van het hof werd cassatie ingesteld. Hierop volgde de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad. Om aan alle discussie over de tijdigheid en juistheid van een hoger beroep in relatie tot de inschrijving van de echtscheiding een einde te maken, oordeelde de Hoge Raad dat een beschikking houdende echtscheiding pas in kracht van gewijsde gaat, nadat de appelbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Dit geldt ook in de gevallen dat het hoger beroep wellicht te laat is ingesteld en een niet-ontvankelijkheid zal volgen. Dit is zelfs het geval wanneer van meet af aan duidelijk is dat het appel niet tijdig of niet rechtsgeldig is ingesteld. De rechtszekerheid is gediend met duidelijkheid, aldus de Hoge Raad. De ambtenaar moest in dit geval alsnog overgaan tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Immers pas negen maanden (drie maanden cassatietermijn en zes maanden inschrijvingstermijn) na een beslissing van het hof verstrijkt de inschrijvingstermijn.

(LJN:BN 1258)

Auteur