Inschakelen ZZP-ers

maandag, 1 september 2003

Risico’s van loonheffing en naheffing

Regelmatig maken bedrijven gebruik van de diensten van een een zelfstandige zonder personeel, hierna ZZP-ers, middels een overeenkomst van opdracht. UWV en de Belastingdienst kunnen echter achteraf bepalen dat deze rechtsverhouding dient te worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit heeft een loonheffing en een naheffing van sociale verzekeringspremies tot gevolg.

Beleidsregels

UWV en Belastingdienst hebben in 2002 gezamenlijke beleidsregels vastgesteld, zodat opdrachtgevers die ZZP-ers inhuren, voortaan kunnen voorkomen dat zij achteraf worden geconfronteerd met premies voor de sociale verzekeringen en loonheffingen.

De gezamenlijke beleidsregels die UWV en Belastingdienst hebben vastgesteld voor ZZP-ers, geven aan wanneer sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit wordt getoetst op basis van de volgende criteria: Is er sprake van het persoonlijk verrichten van arbeid, de verplichting om loon te betalen en de vraag of er een gezagsverhouding aanwezig is. De opdrachtgever hoeft geen premies en loonheffing in te houden als hij de arbeidsrelatie heeft getoetst aan de beleidsregels en daarbij terecht heeft geconstateerd dat de arbeidsverhouding geen dienstbetrekking is. De werkgever is daarnaast gevrijwaard van een naheffing als het hem redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat er sprake was van een dienstbetrekking en de opdrachtnemer voor deze werkzaamheden beschikt over een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Deze verklaring kan de zelfstandige aanvragen bij de Belastingdienst. Na publicatie van de Beleidsregels bleek er op enkele onderdelen behoefte te bestaan aan verdere verduidelijking. De publicatie van de ‘Wijziging beleidsregels beoordeling dienstbetrekking’ beoogt in deze behoefte te voorzien.

De ‘Wijziging beleidsregels beoordeling dienstbetrekking’ zijn gepubliceerd in de Staatscourant van 22 juli 2003, nr. 138.

Met de wijzigingen is uitdrukkelijk geen wijziging van het beleid beoogd. De bij de vastgestelde Beleidsregels aanvankelijk gevoegde bijlagen zijn thans vervangen door bijlagen I, II en III. Het reikt te ver om voornoemde bijlagen hier uitgebreid te behandelen. Hierna zal kort worden aangegeven ten aanzien van welke aspecten een nadere toelichting wordt gegeven.

Toelichting Beleidsregels

In bijlage I worden de soorten dienstbetrekkingen nader toegelicht: de privaatrechtelijke dienstbetrekking versus de fictieve dienstbetrekking. Voorts wordt een verduidelijking gegeven over de afstemming tussen UWV en de Belastingdienst. Deze instanties kunnen over dezelfde feiten en omstandigheden van een arbeidsrelatie een verschillend standpunt innemen. In dat geval kan een opdrachtgever of opdrachtnemer om een gezamenlijk en eensluidende standpunt verzoeken. In bijlage II wordt aangegeven wanneer inhouding aan de orde is, welke rol de VAR speelt en wat er gebeurt na een onjuiste beoordeling door de opdrachtgever. Tot slot wordt nader toegelicht wanneer het een opdrachtgever redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er sprake was van een dienstbetrekking. Zo kan de opdrachtgever zich er bijvoorbeeld met succes op beroepen dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn als een eerdere looncontrole in een vrijwel gelijke arbeidsverhouding heeft geleid tot de conclusie dat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In bijlage III wordt een juridisch kader geschapen waarbinnen de privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt vastgesteld. Voorts worden enkele zaken besproken die specifiek zijn voor de desbetreffende doelgroepen zoals bijvoorbeeld vergunninghouders en uitzendovereenkomsten.