Informatieplicht van werkgever bij overgang van onderneming

maandag, 28 januari 2008

Een werkgever dient aan zijn werknemers voldoende openheid van zaken en duidelijkheid over te maken keuzes te verschaffen en volledige voorlichting te geven omtrent hun rechtspositie en de geldende wettelijke en CAO-bepalingen bij overgang van (een deel van) de onderneming. De bank in onderhavige kwestie bleef op dat punt in gebreke.

Een bank had bekend gemaakt dat zij zou stoppen met de activiteit “Reizen”. In verband daarmee had de bank een aantal mededelingen gedaan aan haar medewerkers omtrent de overgang van de medewerkers “Reizen” naar de beoogde koper van die activiteit, een reisbureaugroep. Aan de medewerkers werden twee keuzes voorgehouden: zij konden kiezen om bij het reisbureau in dienst te treden. De werknemers werd gevraagd om een financiële stap terug te doen (inkomensachteruitgang van 29%). Tevens werd de werknemers verzocht om onvoorwaardelijk afstand te doen van de rechten uit hoofde van de Wet Overgang van Onderneming. In die wet is bepaald – simpel gezegd – dat ingeval van een overgang van onderneming, alle rechten van de werknemers gelijk blijven en mee overgaan naar de verkrijgende partij (de Reisbureaugroep). De tweede mogelijkheid die de werknemer werd geboden was het in dienst blijven bij de bank. Het dienstverband zou dan wel per een bepaalde datum eindigen. Hoe een dergelijke beëindiging van het dienstverband in zijn werk zou gaan, werd daarbij niet vermeld. 

Een werkneemster die tot het maken van een dergelijke keuze werd gedwongen heeft zich tot de rechter gewend en vorderde schadevergoeding, omdat de werkgever in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap zou hebben gehandeld.

Het Hof te ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de bank onvolledige en deels onjuiste informatie had gegeven aan haar werknemer, zowel in het voortraject als in de brief waarin de werknemer werd gevraagd om een keuze te maken. In de brief werd de werknemer voor beide keuzegevallen een ingrijpende wijziging in de rechtspositie voorgespiegeld, die in strijd was met wettelijke bepalingen en welke keuze beoogde om de werknemer de door die wettelijke bepaling geboden bescherming te ontnemen.

De Hoge Raad oordeelde, net als het Hof, dat de werknemer daarmee op onvolledige en onjuiste grond werd gedwongen om een keuze te maken. In de betreffende brief werd ook nog onmiskenbaar druk op haar uitgeoefend door de werknemer te plaatsen voor een dilemma dat niet het hare was. Het was immers de bank die de overgang van een onderdeel van haar onderneming wenste te bewerkstelligen en voor de personele gevolgen daarvan verantwoordelijk is.

De Hoge Raad overweegt dat een en ander in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap, overigens ongeacht de op zichzelf wellicht verdedigbare bedoelingen en oogmerken van de bank met de overdracht van haar reisactiviteiten aan het reisbureau.

Toch viste de werknemer nog (deels) achter het net: haar vordering tot betaling van schadevergoeding werd afgewezen, vanwege het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de geschonden norm en de geleden schade. Bovendien werd de gestelde schade niet nader door haar onderbouwd.