In 2015 ook Indicatietarieven in IE-zaken bij de Hoge Raad

donderdag, 8 januari 2015

Na Indicatietarieven in IE-zaken bij de rechtbanken en gerechtshoven zijn er vanaf 1 januari 2015 ook Indicatietarieven in IE-zaken bij de Hoge Raad. Op rechtspraak.nl zijn deze Indicatietarieven gepubliceerd. In dit artikel worden de belangrijkste punten uit deze nieuwe Indicatietarieven uitgelicht.

Anders dan in overige civiele procedures, komen alle redelijke en evenredige proceskosten van de in het gelijk gestelde partij voor vergoeding in aanmerking in zaken over de handhaving van IE-rechten. Deze proceskosten kunnen worden gevorderd op grond van artikel 1019h Rv., dat een implementatie is van artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn. Vereiste voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 1019h Rv. is dat het gevorderde bedrag voldoende moet worden gespecificeerd. Dat betekent dat de specificatie het uurtarief van de advocaat moet vermelden en een overzicht moet geven van de verrichte werkzaamheden, die voldoende concreet moeten zijn omschreven: “opstellen dagvaarding”, “overleg cliënt” etc.

 De Indicatietarieven in IE-zaken zijn een poging van de Nederlandse rechterlijke macht om de praktijk handvatten te bieden bij het beoordelen van de redelijkheid en evenredigheid van de gevorderde proceskosten in IE-zaken en daarmee de hoogte van het procesrisico voor partijen. Een bedrag van € 6.000,- wordt voor een eenvoudig kort geding (in eerste aanleg) redelijk geacht en voor een eenvoudige bodemprocedure (in eerste aanleg) geldt een bedrag van € 8.000,-. Afhankelijk van de ingewikkeldheid van de kwestie en het aantal proceshandelingen kan het bedrag oplopen tot € 25.000,-. In hoger beroep gelden vergelijkbare Indicatietarieven.

Uitzonderingen op de Indicatietarieven zijn mogelijk, bijvoorbeeld als partijen het onderling eens zijn over welk bedrag redelijk is. Als de wederpartij de gevorderde proceskosten niet betwist, dient uit te worden gegaan van de redelijkheid van de gevorderde proceskosten, ook al zijn deze hoger dan de Indicatietarieven. De tarieven staan er kortom niet aan in de weg dat een afwijkend, lager of hoger, bedrag wordt vastgesteld. Tot slot gelden de Indicatietarieven niet in octrooizaken, zodat daar doorgaans proceskostenveroordelingen worden uitgesproken die een vier- of soms wel tienvoud van de Indicatietarieven bedragen.

Tot nu bestonden er nog geen Indicatietarieven in IE-zaken bij de Hoge Raad. Daar is dus verandering in gekomen. Per 1 januari 2015 zijn de “Indicatietarieven in IE-zaken Hoge Raad” van toepassing op alle procedures waarin op dat moment nog geen schriftelijke toelichting is gegeven (Klik hier voor de volledige op rechtspraak.nl gepubliceerde Indicatietarieven in IE-zaken bij de Hoge Raad). De daarin opgenomen bedragen zijn de volgende:

“Eenvoudige zaak eiser € 15.000,-

Eenvoudige zaak verweerder € 10.000,-

Overige zaken eiser € 30.000,-

Overige zaken verweerder € 20.000,-

Voor zaken waarin Borgersbrief is geschreven: + € 2.000,-

Voor zaken waarin re- of dupliek is genomen: + € 3.000,-

Verhoging voor zaken waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof

van Justitie van de EU: € 15.000,-

In zeer eenvoudige, niet bewerkelijke zaken bedraagt het indicatietarief € 5.000,- voor eiser

en € 3.000,- voor verweerder, zonder opslag voor re- of dupliek en/of een Borgersbrief.”

Daarnaast is met name artikel 8 van deze nieuwe Indicatietarieven interessant. Dit artikel beschrijft de gevolgen van een niet gespecificeerde vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten alsmede de gevolgen van het al dan niet bestrijden van een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten.

Indien een partij de vordering onvoldoende onderbouwt, maar de wederpartij deze niet betwist, wordt maximaal het indicatietarief toegewezen. Indien de wederpartij de onvoldoende onderbouwde vordering wel betwist, kan hoogstens het liquidatietarief (max € 2.600,-) worden toegewezen.

In het geval waarin de vordering wel voldoende is onderbouwd en de wederpartij deze niet betwist, wordt het gevorderde bedrag in beginsel toegewezen. Dit was met zoveel woorden al door de Hoge Raad beslist in 2010 in het Jaap-arrest (klik hier voor een eerder artikel van mij over dat arrest), maar is nu dus ook opgenomen in de Indicatietarieven.

Ook in IE-zaken bij de Hoge Raad is nu vooraf voor partijen duidelijk wat de bandbreedte is van de mogelijk toegewezen proceskostenveroordeling, op welk moment de kosten moeten worden gespecificeerd en aan welke eisen de specificatie moet voldoen. Het inschatten van het proceskostenrisico is hierdoor vereenvoudigd.

BANNING heeft een eigen sectie cassatie. De sectie cassatie kan u bijstaan in cassatieprocedures en adviseren omtrent de mogelijkheden om cassatieberoep in te stellen.