Houd uw dochter in de gaten! Ook bij de totstandkoming van een Sociaal Plan.

dinsdag, 1 juli 2008

Gelijk in de ‘echte’ wereld is het ook in de zakelijke wereld belangrijk om je dochter goed in de gaten te houden. Dit laatste geldt met name indien een moedermaatschappij een zogenaamde 403-verklaring heeft afgegeven ten behoeve van een of meerdere dochters. 

(kantonrechter Venlo d.d. 20 februari 2008)

De moedermaatschappij die een 403-verklaring heeft afgegeven, kan hoofdelijk aansprakelijk gehouden worden voor alle uit rechtshandelingen van de dochter voortvloeiende schulden. In ruil daarvoor behoeft de dochter geen jaarstukken openbaar te maken. De 403-verklaring strekt als zodanig tot bescherming van degenen, die moeten beslissen om al dan niet met de dochtervennootschap te contracteren en die hun beslissing niet kunnen baseren op de jaarstukken van de dochter.

De materiële reikwijdte van de 403-verklaring is beperkt tot schulden‘die voortvloeien uit rechtshandelingen’ van de dochter. Doorgaans zullen dat overeenkomsten zijn. Blijkens een recente uitspraak van de Kantonrechter Venlo d.d. 20 februari 2008 kan een moeder echter ook aansprakelijk gehouden worden voor de (financiële) verplichtingen die voortvloeien uit een – tijdens de werkingsduur van de 403-verklaring – door de dochter met de vakorganisaties overeengekomen Sociaal Plan. 

In deze zaak had een moedermaatschappij, Inalfa Industries BV (hierna: “Inalfa”), een 403-verklaring afgegeven ten behoeve van haar 100%-dochter, Inalfa Metal Products BV (hierna: “IMP”). Enkele jaren na afgifte van de 403-verklaring – in 2003 – wordt besloten om het dan verliesgevende IMP te reorganiseren. In het kader van die reorganisatie bereikt IMP op 15 december 2003 – na afgifte van de 403-verklaring en vóór de intrekking daarvan door Inalfa op 2 september 2005 – overeenstemming met de vakorganisaties over een Sociaal Plan. 

In het Sociaal Plan is een afvloeiingsregeling opgenomen voor werknemers die overtollig zijn geworden. IMP heeft ten aanzien van een drietal ex-werknemers echter slechts ten dele voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de afvloeiingsregeling. IMP gaat op 21 september 2005 failliet. Geconfronteerd met dit faillissement, spreekt het drietal Inalfa aan op haar 403-verklaring.

Inalfa meent dat de ex-werknemers géén beroep kunnen doen op de 403-verklaring, aangezien de arbeidsovereenkomsten met de drie ex-werknemers ruim voor het deponeren van de 403-verklaring zijn gesloten. Inalfa legt daaraan ten grondslag dat het Sociaal Plan en de arbeidsovereenkomsten zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat de afvloeiingsregeling niet zozeer uit het Sociaal Plan voortvloeit, maar uit de tussen IMP en de ex-werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten. De aanspraak zou derhalve vallen buiten detemporele reikwijdte van de 403-verklaring. 
De kantonrechter overweegt echter dat het Sociaal Plan ‘onvoldoende connex is met de individuele arbeidsovereenkomsten tussen IMP en Van de Mortel c.s. [de ex-werknemers; DS] om als daaruit voortvloeiend te worden aangemerkt. Immers, het Sociaal Plan is tot stand gekomen doordat IMP over de inhoud daarvan overeenstemming heeft bereikt met de vertegenwoordigers van de vakverenigingen’.[1]

De kantonrechter oordeelt derhalve dat de gebondenheid van IMP aan de in het Sociaal Plan neergelegde verplichtingen voortvloeit uit een afzonderlijke rechtshandeling, te weten het bereiken van overeenstemming over het Sociaal Plan zelf. Inalfa kan derhalve vanwege haar 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk gehouden worden voor de – oorspronkelijk op IMP rustende – afvloeiingsverplichtingen uit het Sociaal Plan.

De 403-moeder kan dus ook aansprakelijk gehouden worden voor schulden van haar dochter voortvloeiende uit een sociaal plan. In de praktijk lijkt men daar echter – ten onrechte – nauwelijks bij stil te staan. De kans dat een dochter na een reorganisatie – en derhalve na het op zich nemen van de afvloeiingsverplichtingen uit een sociaal plan – alsnog over de kop gaat, is echter niet te verwaarlozen. Houd derhalve uw dochter ook bij een reorganisatie in de gaten en bezie of de afgegeven 403-verklaring niet voor totstandkoming van een sociaal plan ingetrokken moet worden om zo eventuele aansprakelijkheid uit hoofde van die verklaring (zoveel mogelijk) te voorkomen.

[1]     Bartman meent in zijn noot onder deze uitspraak dat de kantonrechter de ‘evidente samenhang tussen de bestaande arbeidsovereenkomsten en de afvloeiingsregeling uit het Sociaal Plan’had kunnen bevestigen en Inalfa tóch aansprakelijk had kunnen houden uit hoofde van haar 403-verklaring. Bartman meent namelijk dat de afvloeiingsregeling uit het Sociaal Plan beschouwd moet worden als een nog voor de intrekking van de 403-verklaring aanvaard derdenbeding, als bedoeld in artikel 6:253 BW. Door de aanvaarding daarvan zijn de ex-werknemers partij geworden bij de overeenkomst (vgl. artikel 5:254 lid 1 BW) en is sprake van een nieuwe, tijdens de werkingsduur van de 403-verklaring door IMP verrichte, rechtshandeling, die onder de (materiële) reikwijdte van de 403-verklaring valt.