Hoogte en criteria bij last onder dwangsom

vrijdag, 13 november 2009

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 27 oktober 2009 uitspraak gedaan over de vraag of de door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: verweerder) opgelegde last onder dwangsom aan de zogenaamde ‘zwarte taxichauffeur’ (hierna: appellant) terecht is gehandhaafd. Appellant zou op 26 oktober 2007 taxivervoer hebben verricht zonder dat hij in het bezit was van een daarvoor vereiste vergunning.

Uit een op 9 november 2007 op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt proces-verbaal hebben twee hoofdagenten verklaard appellant op 26 oktober 2007 te hebben aangetroffen in een auto die op zijn naam stond, terwijl zich vier passagiers in de auto bevonden. De passagiers hebben aan de hoofdagenten verklaard dat zij uit zijn geweest en dat appellant hen tegen betaling heeft opgehaald en dat het een zogenaamde ‘zwarte taxi’ betrof. Appellant heeft verklaard dat het geen illegale taxi was en geen geld had ontvangen van de inzittenden. Twee van de passagiers zijn later als getuigen gehoord.

Mede doordat o.a. uit de twee getuigenverklaringen is gebleken dat appellant in strijd heeft gehandeld met artikel 4 lid 2 van de Wet personenvervoer 2000, appellant had immers geen vergunning om taxivervoer te mogen verrichten, heeft verweerder een last onder dwangsom van € 10.000,- per overtreding met een maximum van € 200.000,- opgelegd. Deze last onder dwangsom is opgelegd ter voorkoming van een nieuwe overtreding van het betreffende voorschrift. 

Appellant heeft betoogd dat de opgelegde dwangsom niet in verhouding staat tot de ernst van de overtreding, dat een motivering van hoogte van dwangsom in dit concrete geval ontbreekt en dat ten onrechte geen rekening is houden met zijn financiële draagkracht.

Uit de uit het dossier bekende feiten blijkt slechts dat appellant voor één taxirit een vergoeding van € 20,- heeft ontvangen en dat hij bekend is als iemand die vaker ritten verzorgt en bekend staat als chauffeur van een ‘zwarte taxi’. Het College acht deze gegevens ontoereikend om een dwangsom van € 10.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 200.000,- op te baseren. Volgens het College staat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding tot het financiële voordeel dat appellant kan behalen met het taxivervoer op de wijze als door hem verricht.

Het College heeft bepaald dat verweerder opnieuw over de hoogte van de dwangsom moet beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.