Holding op een lijn gesteld met bestuurder; persoonlijke aansprakelijkheid

dinsdag, 1 juli 2014

Onlangs heeft de Hoge Raad wederom bevestigd dat een natuurlijk persoon die middels een holding zijn werkmaatschappij bestuurt, persoonlijk aansprakelijk kan zijn (Hoge Raad 23 mei 2014). Het bijzondere in deze zaak is dat de natuurlijke persoon rechtstreeks werd aangesproken (niet “via” zijn BV’s), en dat er geen aparte(zwaardere) maatstaf werd gehanteerd om het handelen van deze indirect bestuurder als onrechtmatig aan te merken dan wordt gebruikt in “reguliere” zaken van directe bestuurdersaansprakelijkheid.

In deze casus ging het om een bestuurder die DGA was van zijn persoonlijke holding. Deze holding was op haar beurt de DGA van de BV vanuit waar een bouwbedrijf werd gedreven. Voor het gemak duid ik de bedrijven aan als Holding BV en Bouwbedrijf BV. Bouwbedrijf BV had een aantal schuldeisers. Een van hen was Holding BV. Vanwege het feit dat Holding BV een manager aan Bouwbedrijf BV ter beschikking stelde (zijnde de DGA van Holding BV zelf), was Bouwbedrijf BV aan Holding BV managementfees verschuldigd ten bedrage van EUR 190.660,=. Aan de vooravond van het faillissement werden deze managementfees aan Holding BV voldaan. In maart 2004 ging Bouwbedrijf BV failliet. In een later stadium ging ook Holding BV failliet.

De curator klopte aan bij de DGA, en sprak hem rechtstreeks aan op grond van onrechtmatige daad (6:162 BW). Dit handelen was volgens de curator onrechtmatig jegens de schuldeisers van Bouwbedrijf BV. De DGA bewerkstelligde met zijn gedrag namelijk dat Holding BV werd voorgetrokken ten opzichte van de overige schuldeisers. Het verweer dat de DGA ondermeer voerde, was dat Bouwbedrijf BV de betalingen had verricht, en niet hij. En Bouwbedrijf BV werd niet bestuurd door hem, maar door Holding BV. Bouwbedrijf BV had wellicht onrechtmatig gehandeld, en anders Holding BV, maar niet de DGA. De Hoge Raad gaf aan dat dit juridisch gezien misschien wel zo was, maar aangezien de DGA de feitelijke zeggenschap had over zowel Bouwbedrijf BV als over Holding BV en ook de bedrijfsvoering van Bouwbedrijf BV feitelijk in handen van de DGA was, oordeelde de Hoge Raad dat het handelen van de DGA jegens de schuldeisers van Bouwbedrijf BV onrechtmatig was. De DGA was vervolgens aansprakelijk jegens de benadeelde schuldeisers.

Conclusie

Opvallend aan deze zaak is dat de curator er voor heeft gekozen om uitsluitend de desbetreffende natuurlijke persoon (zijnde indirect statutair bestuurder van Bouwbedrijf BV) aan te spreken op grond van onrechtmatige daad. De curator heeft geen beroep gedaan op het bepaalde in artikel 2:11 BW. Dat artikel bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon (bijvoorbeeld een BV) als direct bestuurder van een andere rechtspersoon, tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van die aansprakelijkheid bestuurder was van die direct bestuurder/rechtspersoon.

De Hoge Raad heeft de curator in zijn lijn gevolgd en de indirect bestuurder rechtstreeks aansprakelijk gehouden op grond van onrechtmatige daad. Daarbij heeft de Hoge Raad om de onrechtmatigheid van de gedraging van de indirect bestuurder vast te stellen, gebruik gemaakt van dezelfde maatstaf als die normaalgesproken geldt voor direct bestuurders.

HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204