Uitspraak Hoge Raad: waterwoning is een roerende zaak

donderdag, 15 maart 2012

Vorige week is de poging van de Staatssecretaris van Financiën om een waterwoning als onroerend te kwalificeren door middel van een cassatieberoep gestrand. In het kader van het al dan niet verschuldigd zijn van belastingen (overdrachtsbelasting, omzetbelasting en onroerende zaak belasting) is de vraag of een zaak roerend dan wel onroerend is van wezenlijk belang.

In deze kwestie betrof het een waterwoning (ook wel ‘marina’ genoemd) welke is gelegen in een recreatiepark. De marina bestond uit een zogenaamd betonnen caisson (het drijflichaam) met een diepgang van ongeveer 1,5 meter en een houten opbouw. Op de wal was een tuin aangelegd die grenst aan de marina.

De belanghebbende partij in deze kwestie had bij notariële akte de voornoemde marina met een perceel grond (tuin) en water gekocht in het betreffende recreatiepark. Er was alleen overdrachtsbelasting afgedragen over het perceel grond en water en niet over de waterwoning omdat deze als een roerende zaak diende te worden beschouwd waarover geen overdrachtsbelasting verschuldigd was.

Echter, de belanghebbende partij kreeg een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd welke, na daartegen bezwaar was gemaakt, bij uitspraak van de inspecteur werd gehandhaafd. De reden daarvoor was gelegen in de omstandigheid dat de inspecteur van mening was dat de waterwoning als een onroerende zaak diende te worden beschouwd en er derhalve overdrachtsbelasting daarover verschuldigd was.

In eerste instantie ving de belanghebbende bij de rechtbank Breda bot. De belanghebbende liet het er echter niet bij zitten en stelde hoger beroep in. Het Hof Den Bosch was het niet eens met de rechtbank en vernietigde de uitspraak van de inspecteur en de naheffingsaanslag. Hof Den Bosch besliste namelijk dat de marina door haar constructie bestemd was om te drijven. De marina was volgens het Hof, zoals in eerdere rechtspraak ook was beslist, een schip in de zin van artikel 8:1 BW. De marina was ook niet op zodanige wijze met de oever verbonden dat sprake was van vereniging met de grond in de zin van artikel 3:3 lid 1 BW.  De Staatssecretaris kon zich echter niet verenigen met het oordeel van het Hof en stelde vervolgens cassatie in.

De staatssecretaris stelde zich in cassatie op het standpunt dat het Hof Den Bosch ten onrechte niet had onderzocht of de marina onroerend was omdat zij op grond van artikel 3:4 BW volgens verkeersopvatting kon worden aangemerkt als bestanddeel van het recreatiepark waarin zij lag.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte aan de vraag was voorbij gegaan aan het standpunt van de Staatssecretaris dat de marina onroerend is, omdat ze op grond van artikel 3:4 BW kan worden aangemerkt als bestanddeel van het recreatiepark waarin de marina gelegen is. Dat standpunt kwam er kort gezegd op neer, dat het recreatiepark en de aldaar gelegen marina zozeer bij elkaar horen en op elkaar zijn afgestemd dat het park zonder de marina incompleet zou zijn. Het mocht de Staatssecretaris echter niet baten.

De Hoge Raad besliste namelijk dat bij de beantwoording van de vraag of de marina een bestanddeel van een onroerende zaak was in de zin van artikel 3:4 BW, niet het recreatiepark als mogelijke hoofdzaak in aanmerking moest worden genomen, maar de grond onder en naast de marina. Belangrijk was echter nog dat volgens de Hoge Raad de verkeersopvatting alleen in aanmerking kon worden genomen als er onzekerheid zou bestaan of de marina kon worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd.

De Hoge Raad oordeelde echter dat dat niet het geval was. Immers, de marina was een waterwoning welke blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft. Om deze reden dient een waterwoning te worden gekwalificeerd als een schip overeenkomstig artikel 8:1 BW. In beginsel dient een waterwoning dan ook te worden gezien als een roerende zaak. Er waren in deze kwestie geen omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat zulks niet het geval was.