Hoge Raad: voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst blijft mogelijk

maandag, 30 januari 2017

Ook na inwerkingtreding van de WWZ kunnen werkgevers bij een ontslag op staande voet de rechter verzoeken de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden. Dat heeft de Hoge Raad op 23 december 2016 in een prejudiciële procedure beslist.

Anders dan tot 1 juli 2015 het geval was, kan een werknemer het ontslag op staande voet niet met een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Vernietiging van het ontslag kan nu enkel door de rechter op een daartoe strekkend verzoek van de werknemer. 

Als de rechter het ontslag vernietigt, herleeft de arbeidsovereenkomst. Daarmee herleeft tevens de loonbetalingsverplichting, met terugwerkende kracht tot de datum van de opzegging. Werkgevers hebben daarom ook onder de WWZ belang om zekerheid te krijgen over het einde van de arbeidsovereenkomst. Voor het geval de arbeidsovereenkomst na het gegeven ontslag op staande voet nog mocht voortduren, is indiening van een voorwaardelijk ontbindingsverzoek wenselijk.

Prejudiciële vragen Hoge Raad

Na invoering van de WWZ ontstond discussie over de vraag of een voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst nog mogelijk is. De wetgever heeft zich daar niet expliciet over uitgelaten. Ook de rechtspraak gaf tot op heden geen uitsluitsel.  

Vorig jaar heeft de kantonrechter Enschede prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd. Op 23 december 2016 heeft de Hoge Raad de vragen beantwoord: in beginsel is voorwaardelijke ontbinding ook onder het huidige recht mogelijk.

Inperking bereik voorwaardelijk ontbindingsverzoek

Voorwaardelijke ontbinding kan slechts worden ingesteld onder de voorwaarde dat het op staande voet gegeven ontslag door de rechter van dezelfde aanleg wordt vernietigd. Volgens de Hoge Raad kan de kantonrechter niet de arbeidsovereenkomst ontbinden met het oog op een eventueel hoger beroep waarin het hof, anders dan de kantonrechter, het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou achten. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek is daarmee onder het huidige recht beperkter toewijsbaar dan vóór 1 juli 2015.

Gevoegde behandeling en bewijsrecht

De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat de procedures over de geldigheid van het ontslag op staande voet en de voorwaardelijke ontbinding zoveel mogelijk gelijktijdig moeten worden behandeld en beslist. Door de gevoegde behandeling wordt de afdoening van het geschil vereenvoudigd. Zowel werkgever als werknemer is daarbij gebaat. 

Tot slot dienen in een ontbindingsprocedure in beginsel de wettelijke bewijsregels te worden toegepast.

Indien een ontslag op staande voet in een later stadium alsnog ongeldig wordt geacht, kan een werkgever het risico op een forse loonvordering beperken. De mogelijkheid tot voorwaardelijke ontbinding dient bij een ontslag op staande voet daarom in overweging te worden genomen. Heeft u vragen over het ontslag op staande voet en de mogelijkheid tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst? Neemt u dan gerust contact op met een van de leden van de sectie Arbeidsrecht.