Hoge Raad: Uitsluiting pensioenverevening onder Wvp genuanceerder geïnterpreteerd

maandag, 10 januari 2011

De Hoge Raad heeft op 19 november 2010 (LJN: BN7893) een belangrijke uitspraak gedaan over de uitsluiting van pensioenverevening in huwelijkse voorwaarden die zijn opgesteld vóór de inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp, in werking getreden op 1 mei 1995). Voorheen diende partijen letterlijk de pensioenverevening te hebben uitgesloten in huwelijkse voorwaarden, hetgeen praktisch onmogelijk was nu de term ‘pensioenverevening’ pas bij de invoering van de Wvp is geïntroduceerd. Daarvóór werd slechts gesproken over pensioenverrekening.

In artikel 11 van de Wvp staat vermeld:

‘Indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt voor inwerkingtreding van deze wet algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald.’

De crux van het verhaal zit in de zinsnede ‘uitdrukkelijk anders hebben bepaald’. De Hoge Raad heeft namelijk in zijn arrest van 24 oktober 1997 (NJ 1999, 395) overwogen dat met het woord ‘uitdrukkelijk’, gedoeld wordt op een bepaling in de huwelijkse voorwaarden van partijen die expliciet op het verevenen van pensioenrechten betrekking moet hebben. Een bepaling in algemene bewoordingen in de trant van ‘er zal niets verrekend worden’ is (en blijft) onvoldoende.

Zoals vermeld bestond de term ‘verevening’ voor 1995 nog niet. Partijen konden dan ook onmogelijk weten dat, wanneer ze in hun huwelijkse voorwaarden pensioenverrekening uitsloten, daaronder niet een later geïntroduceerd begrip als verevening zou vallen. In de praktijk is het dan ook niet eenvoudig om uit te leggen dat ex-echtelieden weliswaar hun pensioen niet hoeven te verrekenen, maar wel moeten verevenen. Voor een niet-jurist lijken deze begrippen niets anders dan synoniemen te zijn.

De partijen in de uitspraak van de Hoge Raad van 19 november jl., hadden in hun huwelijkse voorwaarden slechts bepaalde pensioenrechten (namelijk voor zover deze voortvloeiden uit premiebetaling ten laste van de BV) aangewezen voor verrekening. De Hoge Raad diende te oordelen of de bepaling in de huwelijkse voorwaarden van partijen voldeed aan het criterium van art. 11 Wvp. Zowel het hof als de A-G waren van mening dat uit de ontstaansgeschiedenis van art. 11 Wvp niet blijkt dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden met zoveel woorden de pensioenverevening als bedoeld in de Wvp moeten hebben uitgesloten. Voorts dient bij het achterhalen van de betekenis van een bepaling in huwelijkse voorwaarden niet alleen gekeken te worden naar de letterlijke tekst (taalkundige uitleg), maar (vooral) ook naar de bedoeling van partijen bij het opstellen van desbetreffende bepaling (Haviltex-maatstaf).

De Hoge Raad is het eens met het oordeel van het hof en stelt:

Van een ‘uitdrukkelijk’ uitsluiten in de zin van art. 11 Wvp kan daarom ook sprake zijn ingeval partijen in hun huwelijkse voorwaarden met het oog op een eventuele scheiding hebben bepaald dat (bepaalde) pensioenrechten niet worden verrekend.’

Geconcludeerd kan worden dat de Hoge Raad met zijn uitspraak van 19 november jl. een versoepeling heeft aangebracht in de toepassing van de tot nu toe streng gehanteerde overgangsbepaling van de Wvp. Echter, een eenvoudige bepaling waarin slechts in het algemeen gesteld wordt dat er niet verrekend zal worden, is ook nu nog onvoldoende om de pensioenverevening onder de Wvp uit te sluiten.

De volledige uitspraak kunt u lezen op: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2010:BN7893