Het vergeetrecht is niet absoluut

donderdag, 30 oktober 2014

Op grond van artikel 36 en 40 Wbp kan een ieder aan de verantwoordelijke van een gegevensverwerking verzoeken om zijn persoonsgegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen. Een verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens kan ook worden gericht aan een exploitant van een internet zoekmachine, zoals Google. De weergave van persoonsgegevens in de resultatenlijst van een zoekopdracht is een verwerking van persoonsgegevens waarvoor de exploitant van de zoekmachine verantwoordelijk is. Het recht om de eigen persoonsgegevens te laten verwijderen uit de resultatenlijst is aan voorwaarden verbonden en daarom niet absoluut.

De wet geeft aan dat de verwijdering kan worden verzocht van persoonsgegevens die feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Daarnaast kan verzet worden aangetekend tegen de verwerking van persoonsgegevens in geval van bijzondere persoonlijke omstandigheden. Het Hof van Justitie van de EU heeft op 13 mei 2014 in het arrest van Costeja tegen Google Spain (het Costeja-arrest) onder meer geoordeeld dat koppelingen en informatie uit de resultatenlijst na een zoekopdracht op een persoonsnaam, gewist dienen te worden indien deze informatie ontoereikend, niet (meer) ter zake dienend of bovenmatig is ten aanzien van het doel van de verwerking. Na deze uitspraak van het Hof van Justitie van de EU kwam Google met een website voor verwijderingsverzoeken.

In Nederland zijn er al meer dan 8.000 verwijderingsverzoeken ingediend bij Google. Lang niet alle verzoeken worden door Google gehonoreerd. Zo weigerde Google ook een deel van het verwijderingsverzoek van een veroordeelde escortbaas. Deze verzocht Google tot verwijdering van koppelingen aan zijn naam van diverse URL’s, waaronder URL’s die verwezen naar een boek waarin een personage in voorkomt met zijn naam. Dit boek is deels gebaseerd op feiten waarvoor eiser was veroordeeld. De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 18 september 2014 geoordeeld dat Google deze informatie niet hoeft te verwijderen. Daarbij overweegt de rechtbank:

“Het Costeja-arrest beoogt personen niet te beschermen tegen alle negatieve berichten op internet, maar alleen tegen het langdurig ‘achtervolgd worden’ door berichten die ‘irrelevant’, ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’ zijn.”

De rechtbank acht de veroordeling voor een ernstig misdrijf en de negatieve publiciteit als gevolg daarvan in het algemeen blijvend relevante informatie over een persoon. De negatieve kwalificaties die daarbij kunnen voorkomen zullen slechts in zeer uitzonderlijke gevallen ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’ zijn, aldus de rechtbank.

Het recht om vergeten te worden door de verwijdering van informatie uit de resultatenlijst van een zoekopdracht is dus niet absoluut. De informatie moet onjuist, niet (meer) ter zake dienend of bovenmatig zijn. Omdat naar aanleiding van het Costeja-arrest veel informatie over het vergeetrecht werd verspreid die niet altijd helemaal klopte, heeft de Europese Commissie een document opgesteld met uitleg over dit arrest in de vorm van de bespreking van ‘6 mythes’ over het vergeetrecht. Bij ‘Mythe 3’ legt de Europese Commissie uit dat het vergeetrecht niet absoluut is, maar een belangenafweging tussen diverse grondrechten, zoals tussen het recht op privacy en de vrijheid van meningsuiting. Dat is ook de afweging die een exploitant van een internet zoekmachine zal maken bij de beoordeling van een verzoek tot verwijdering van informatie uit de resultatenlijst die is gekoppeld aan een persoonsnaam.