Het rechtsvermoeden arbeidsomvang en min/max-contracten

woensdag, 29 oktober 2014

Het rechtsvermoeden “omvang arbeid” is volgens de kantonrechter te Zutphen niet van toepassing bij een min/max contract (20-40 uren per week) mits het aantal, door werkneemster te werken uren, binnen die bandbreedte van 20-40 blijft.

In artikel 7:610 b BW (rechtsvermoeden omvang van de arbeidsovereenkomst) is bepaald dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben, gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.

Werkneemster was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor 20 tot 40 uur per week. In het jaar 2013 fluctueerde het aantal uren van minimaal 80 tot maximaal 167,5 uren per maand. Met ingang van september 2013 was het aantal door de werkneemster te werken uren drastisch teruggebracht door werkgever, zonder opgave van redenen. Gedurende de daarvóór liggende referteperiode van drie maanden (juni, juli en augustus 2013) was sprake van een arbeidspatroon van gemiddeld 152,60 uren per maand. De werkneemster, wiens arbeidsovereenkomst inmiddels was geëindigd, vorderde nabetaling van salaris, over de maanden september t/m november 2013, uitgaande van een arbeidsovereenkomst met een arbeidsomvang van 152,60 uren per maand.

De kantonrechter wijst de loonvordering af. De kantonrechter overweegt dat volgens de wetsgeschiedenis, het artikel inzake het rechtsvermoeden omvang arbeid beoogt houvast te bieden indien:

  • de arbeidsomvang niet eenduidig is overeengekomen;
  • en in de situatie waarin de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan oorspronkelijk overeengekomen.

Daarvan was in deze casus geen sprake. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst was de arbeidsomvang bepaald op 20 tot 40 uren per week. De arbeidsomvang was door partijen daarmee voldoende duidelijk bepaald, hetgeen ook verband hield met de aard van de (kappers-) werkzaamheden, waarbij de vraag naar en de omvang van die werkzaamheden kunnen fluctueren, aldus de kantonrechter. De gemiddelde arbeidsduur bedroeg 35,2 uur per week en bleef dus binnen de bandbreedte van het min/max contract.

De kantonrechter heeft verder nog overwogen dat de werkgeefster, nadat zij in oktober 2013 van werkneemster had vernomen dat zij de arbeidsovereenkomst opzegde en een eigen kappersbedrijf ging starten – al wilde zij niet zeggen waar – in redelijkheid de werkneemster in een andere vestiging kon tewerkstellen, voor het minimum aantal overeengekomen uren. Volgens de kantonrechter had werkgeefster die vrijheid, gelet op de inhoud van de arbeidsovereenkomst en het belang van de werkgever, de mogelijke nadelen van ongewenste concurrentie te beperken.

De kantonrechter overweegt tot slot nog dat deze zaak verschilt met uitspraken die gaan over de situatie van een 0-uren of oproepcontract, omdat daar het aantal gewerkte uren structureel boven het maximum uitsteeg.

Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben over flexibele contracten (contracten voor bepaalde tijd, 0-uren contracten, min/max contracten) onder het huidige recht of na invoering van de WWZ, dan kunt u contact opnemen met leden van de sectie Arbeidsrecht.