Het nieuwe concurrentiebeding: aanknopingspunten voor een goede motivering

donderdag, 29 januari 2015

Per 1 januari 2015 is (een deel van) de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) in werking getreden. Het is sindsdien niet meer mogelijk een (non-)concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op te nemen. Dit is alleen anders indien de werkgever zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen heeft die de opname van een concurrentiebeding rechtvaardigen. De werkgever zal het bestaan van dergelijke belangen schriftelijk moeten motiveren in de arbeidsovereenkomst.

Concrete voorbeelden van bedrijfs- of dienstbelangen zijn bij de totstandkoming van de WWZ niet genoemd. Het is vooralsnog dan ook moeilijk in te schatten wat daar exact mee wordt bedoeld en hoe ver de motiveringsplicht reikt. Rechtspraak zal voor verduidelijking moeten zorgen. Een recent arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (*1) biedt alvast een aantal aanknopingspunten. Hoewel het in dat arrest draait om een concurrentiebeding naar oud recht,  bevat het arrest interessante overwegingen voor een ‘WWZ-proof’ concurrentiebeding.

Casus

In de zaak die speelde voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gaat het om een taxichauffeur die met ingang van 1 januari 2010 voor de bepaalde tijd van zes maanden in dienst is getreden van een taxibedrijf. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen, op grond waarvan de taxichauffeur binnen een jaar na einde dienstverband niet binnen een straal van 15 kilometer het taxibedrijf concurrentie mag aandoen. Dit op straffe van € 250,- per dag.

De arbeidsovereenkomst is na de duur van zes maanden voor onbepaalde tijd voortgezet. In oktober 2010 deelt de taxichauffeur het taxibedrijf per brief mede dat hij 14 oktober 2010 stopt. Het taxibedrijf wijst hem er vervolgens op dat hij geen opzegtermijn in acht heeft genomen. Daarnaast meent het taxibedrijf dat hij in strijd handelt met het overeengekomen non-concurrentiebeding, omdat hij bij een ander taxibedrijf binnen een straal van 15 kilometer concurrerende werkzaamheden verricht. De taxichauffeur stelt zich op het standpunt dat hij nog recht heeft op betaling van achterstallig salaris.

Eerste aanleg

De taxichauffeur stapt naar de rechter en vordert betaling van achterstallig salaris en vernietiging van het concurrentiebeding. In reconventie vordert het taxibedrijf onder meer een boete van € 50.000,- wegens overtreding van het concurrentiebeding. In het vonnis van 3 april 2013 heeft de kantonrechter de betaling van achterstallig salaris toegewezen. De vordering tot vernietiging van het concurrentiebeding wordt echter afgewezen. Sterker nog: de kantonrechter veroordeelt de taxichauffeur tot betaling van een (gematigde) boete van € 10.000,-.

Hoger beroep

De taxichauffeur gaat in hoger beroep en wil daarmee onder meer bereiken dat het concurrentiebeding vernietigd wordt. Ook het taxibedrijf is het niet volledig eens met het vonnis van de kantonrechter en vordert in hoger beroep alsnog betaling van € 50.000,-. Het hof buigt zich vervolgens over de vraag of het concurrentiebeding vernietigd kan worden. Hij dient in dat verband conform art. 7:653 lid 2 BW (oud) een belangenafweging te maken tussen enerzijds de belangen van de werknemer en anderzijds de belangen van de werkgever.

Het hof overweegt dat het belang van de werknemer is gelegen in het (grondwettelijk vastgelegde) recht om vrij te kunnen kiezen welke arbeid hij wenst te verrichten. In het geval er een concurrentiebeding overeen is gekomen, wordt hij in zijn mogelijkheden beperkt. Daar staat het belang van de werkgever tegenover. Het hof oordeelt dat de taxichauffeur niet een situatie mag bewerkstelligen waarbij sprake is van oneerlijke concurrentie. Het hof overweegt dat die situatie zich met name zal voordoen:

“(…) indien de werknemer door de kennis van de werkwijze, de klanten en de overige bedrijfsgeheimen van de ex-werkgever zichzelf (of zijn nieuwe werkgever) een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen.”

De nadruk ligt daarbij, aldus het hof, niet zozeer op de tijdens het dienstverband door eigen toedoen verworven kennis en vaardigheden, maar veeleer op de inbreng van de werkgever om de werknemer in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden zo optimaal mogelijk te laten verrichten. Het hof concludeert vervolgens als volgt:

“Het rechtens te respecteren belang van een werkgever is daarom niet het tegengaan van concurrentie in het algemeen, maar het voorkomen dat een (ex-)werknemer met gebruikmaking van de kennis van de onderneming van de (ex)werkgever, die hij zonder de werkzaamheden voor die onderneming niet zou hebben, zijn vorige werkgever rechtstreeks concurrentie zou kunnen aandoen en daarmee zichzelf of een derde (de nieuwe werkgever) een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen zou kunnen bezorgen.”

Het hof toetst de concrete omstandigheden aan bovenstaande maatstaf en oordeelt dat het taxibedrijf slechts een beperkt te respecteren belang bij het concurrentiebeding heeft. Er is niet gebleken van bepaalde bedrijfsgeheimen waar de taxichauffeur door zijn werk bij het taxibedrijf kennis van heeft kunnen nemen. Wel kan in een bepaalde mate sprake zijn geweest van het opbouwen van een relatie door de taxichauffeur met bepaalde klanten of relaties van het taxibedrijf (bijvoorbeeld bepaalde bedrijven of cafés). Daar komt bij dat de taxichauffeur door het concurrentiebeding – mede gelet op de beperkte territoriale begrenzing van 15 kilometer – niet ernstig beperkt wordt. Het hof concludeert tot vernietiging van het concurrentiebeding, in zoverre dat de werkingsduur wordt gehalveerd. De boete wordt vastgesteld op € 25.000,-, waarvan na matiging nog € 7.500,- over blijft.

Implicaties

De hiervoor geciteerde passages kunnen handvatten bieden bij het opstellen van een motivering voor een nieuw concurrentiebeding. Van belang is dat een werkgever zijn bedrijfs- of dienstbelangen goed inzichtelijk maakt. Daarbij dient hij zichzelf de vragen te stellen welke werkwijze, klanten en overige bedrijfsgeheimen tot een ongerechtvaardigd voordeel kunnen leiden in het concurrerend handelen. Het gaat daarbij niet zozeer om de tijdens het dienstverband zelf verworven kennis en vaardigheden, maar veeleer om de inbreng van de werkgever om de werknemer in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden zo optimaal mogelijk te laten verrichten.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of wilt u uw (model) arbeidsovereenkomst en/of (non)-concurrentiebeding laten controleren op WWZ-aspecten? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met de leden van de sectie Arbeidsrecht van BANNING.


(*1) Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:127.