Het Mindo kartel. Over toegang tot de rechter voor groepsvennootschappen

donderdag, 30 mei 2013

Op 11 april 2013 vernietigde het EU Hof van Justitie een uitspraak van het EU Gerecht. Het arrest Mindo toont aan dat een groepsmaatschappij die hoofdelijk aansprakelijk is voor een kartelboete, toegang moet krijgen tot de rechter - ook als een andere groepsmaatschappij de kartelboete allang betaald had en jarenlang geen geld had teruggevorderd.

De relevante feiten in Mindo kunnen kort worden samengevat. De Europese Commissie had aan groepsmaatschappijen AOI en Mindo een kartelboete van EUR 10 miljoen opgelegd. Mindo was hoofdelijk aansprakelijk voor een deel van die kartelboete: EUR 3,99 miljoen. Echter AOI betaalde de gehele kartelboete.

Mindo wilde jaren later bij het Gerecht in beroep, maar kreeg geen toegang. Mindo zou volgens het Gerecht geen belang (meer) hebben bij een rechtsgang, omdat AOI de kartelboete had betaald. Onder meer overwoog het Gerecht:

  1. Dat AOI geen terugvorderingsrecht op Mindo had, enkel en alleen omdat AOI de volledige kartelboete had betaald.
  2. Dat AOI geen geld meer kon terugvorderen van Mindo, omdat AOI 5 jaar had stilgezeten.
  3. Dat Mindo bovendien niet bewezen had dat AOI een deel van de kartelboete wilde terugvorderern.

Het Hof oordeelde de uitspraak van het Gerecht op deze onderdelen onvoldoende gemotiveerd en/of rechtens onjuist:

  1. Het Gerecht had onvoldoende gemotiveerd dat AOI geen terugvorderingsrecht had op Mindo. Het was duidelijk noch controleerbaar waar deze aanname van het Gerecht op gebaseerd was.
  2. Het Gerecht nam ten onrechte aan dat AOI afstand had gedaan van haar recht EUR 3,99 miljoen van Mindo terug te vorderen - enkel en alleen door een tijdlang stil te zitten. Het Gerecht verloor daarbij uit het oog dat er goede redenen waren voor dat stilzitten. Onder meer was Mindo failliet gegaan en in een insolventieprocedure verzand geraakt. Bovendien had het Gerecht niet gereageerd op de opmerking van Mindo, dat het vorderingsrecht van AOI nog lang niet verjaard was.
  3. Het Gerecht stelde bovendien een te zware eis aan toegang tot de rechter, namelijk dat een appellant zou moeten bewijzen dat een derde jegens hem een vordering wil instellen. 

Het Hof ging niet zover om elke adressant van een boetebeschikking het recht van beroep te gunnen, onder alle omstandigheden, onafhankelijk van wie nu precies een kartelboete heeft betaald. Dat is een gemiste kans. Er kunnen immers goede (fiscale) redenen zijn, waarom niet de beboete groepsmaatschappij, maar een andere groepsmaatschappij een kartelboete voor haar rekening neemt. Naar huidig recht is onduidelijk of in die situatie überhaupt toegang tot de rechter bestaat.

Mindo is desalniettemin belangrijk, omdat het een algemeen beginsel bevat: wie gedwongen kan worden een kartelboete te betalen, althans een deel daarvan, heeft een rechtens te respecteren belang bij beroep en moet toegang tot de rechter krijgen (ook wel: ius standi). In dit geval konden beide groepsmaatschappijen tot betaling gedwongen worden, omdat zij deels hoofdelijk aansprakelijk waren en er geen onderlinge vrijwaring bestond voor kartelboetes.

Dit arrest lijkt in lijn met Nederlands recht. Afstand van recht dient ook bij ons ondubbelzinnig en onherroepelijk te gebeuren. Enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende. Daarnaast zou ook de Nederlandse rechter ius standi vermoedelijk niet afhankelijk maken van het bewijzen van de (terugvorderings)voornemens van derden.

Meer weten? Mail Adriaan Buyserd: a.buyserd@banning.nl

Arrest: HvJEU 11 april 2013, C-652/11 P (Mindo).

Bron: http://curia.europa.eu/juris/celex.jsf?celex=62011CJ0652&lang1=nl&type=NOT&ancre=