Hand geven volgens goed Nederlands gebruik verplicht?

vrijdag, 29 augustus 2008

Begin augustus boog de rechtbank zich over de vraag of de afwijzing door de Gemeente Rotterdam van een sollicitant voor een functie wegens het feit dat de sollicitant weigert vrouwen de hand te schudden onrechtmatig was. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen. Opvallend is dat de Commissie Gelijke Behandeling eerder in dezelfde zaak tot het oordeel kwam dat de handelswijze van voornoemde Gemeente wél onrechtmatig is. 

De feiten
De sollicitant (verder: S) is moslim en is lid van de cliëntenraad van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (verder: R). S. kleedt zich volgens de Islamitisch-orthodoxe kleedstijl en draagt een lang gewaad met hoofddeksel. Voorts weigert hij vanwege zijn geloofsovertuiging vrouwen de hand te schudden. Medio september 2005 heeft S. gesolliciteerd naar de functie van Contractueel Medewerker Dienstverlening (verder: klantmanager) bij voornoemde dienst van R.

In het kader van de sollicitatieprocedure heeft in februari 2006 een gesprek plaatsgevonden tussen S. en een teamchef alsmede het hoofd van de afdeling P&O. Ook bij dit gesprek weigert S. om het hoofd P&O (dame) een hand te geven. Tijdens dit gesprek zijn de kleedwijze van S. en zijn weigering om vrouwen de hand te schudden aan de orde gekomen.

S. wordt afgewezen voor de functie vanwege zijn kleedstijl en de wijze waarop hij vrouwen begroet. Een en ander wordt hem bij brief bevestigd. R. licht daarbij onder meer toe dat de medewerkers in elke situatie rekening moeten houden met - en handelen volgens - de algemeen geaccepteerde sociale omgangsvormen. Voorts vreest R. dat zijn houding en kleding aanleiding vormt voor verstoringen van de relatie met klanten en zijn verschijning zelfs agressie zou kunnen oproepen. R. wil daartoe geen risico nemen.

Naar aanleiding van de afwijzing heeft S. nog een klacht ingediend bij R. welke vervolgens ongegrond is verklaard.

Commissie Gelijke Behandeling (CGB)
S. heeft vervolgens de CGB gevraagd te beoordelen of R. in strijd heeft gehandeld met het verbod van onderscheid naar godsdienst en geslacht door hem af te wijzen voor de functie. De CGB spreekt als haar oordeel uit dat R. jegens S.:
- direct onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de afwijzing van zijn kleedstijl;
- indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de afwijzing vanwege het niet schudden van handen, welk onderscheid de CGB niet objectief gerechtvaardigd acht. CGB heeft in haar oordeel betrokken dat S. in een later stadium heeft aangegeven bereid te zijn tot een alternatieve, maar gelijke begroeting van mannen en vrouwen.

Kantonrechter
Nadat R. in het oordeel van CGB geen aanleiding ziet om haar standpunt te weigeren, start S. een procedure bij de kantonrechter en vordert een verklaring voor recht dat R. onrechtmatig heeft gehandeld door hem de functie van klantmanager te weigeren op de gronden zoals R. in haar brief heeft bevestigd. Voorts vordert S. schadevergoeding ter hoogte van € 9.000,- wegens misgelopen salaris.

R. erkent in haar verweer dat ze indirect onderscheid heeft gemaakt, máár meent hiervoor een objectieve rechtvaardiging te hebben, namelijk: door te weigeren vrouwen een hand te geven maakt S. zelf onderscheid tussen mannen en vrouwen. R. dient te waken tegen deze inbreuk op het verbod van onderscheid wegens geslacht.

Beoordeling kantonrechter
De kantonrechter overweegt dat de kledingwijze kennelijk geen beslissende rol heeft gespeeld bij de beslissing van R. om S. af te wijzen en laat deze omstandigheid daarom verder buiten beschouwing. Ook het aspect van de door S. gesuggereerde alternatieve begroeting wordt – in tegenstelling tot het oordeel van CGB- niet meegenomen in de beoordeling omdat dit een latere omstandigheid is en daarom niet relevant bij de beoordeling van de vraag of R. indertijd het besluit heeft mogen nemen.

Ook de kantonrechter komt tot het oordeel dat R. indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst. In tegenstelling tot CGB vindt de kantonrechter het onderscheid wel objectief gerechtvaardigd; van onrechtmatig handelen van R. is geen sprake. Overwogen wordt dat een hand geven een gebruikelijke vorm van begroeting is en als beleefdheidsvorm wordt gezien. Voorts wordt waarde toegekend aan de betreffende functie van klantmanager, waarbij S. namens R. klanten zou gaan ontvangen en waar een gebruikelijke begroeting onderdeel van uitmaakt. 

Slotoverweging
Niet alleen direct onderscheid op grond van discriminatie is verboden, maar ook indirect onderscheid tenzij een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Of van dat laatste sprake is in een specifieke situatie is niet altijd eenvoudig vast te stellen.

Het is voor een werkgever van belang zowel bij de sollicitatie, als tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst én na het beëindigen ervan, zich daarvan bewust te zijn gelet op de schadeconsequenties bij een onjuiste en dus als onrechtmatig gekwalificeerde, handelswijze.

Auteur