"Habe nichts" en de financiële relatie met moeder- en zusterondernemingen

dinsdag, 30 juni 2009

Daar waar voorheen bij een ‘bedrijfseconomisch ontslag’ de arbeidsovereenkomst nog vaak eindigde met toekenning van de neutrale kantonrechtersformule (C=1), worden werknemers in deze tijden van economische tegenspoed steeds vaker geconfronteerd met het argument van werkgevers dat voor de betaling van een ontslagvergoeding niet of nauwelijks ruimte is. Het zgn. “habe nichts” - of “ habe wenig”-verweer. Een van de vragen is of (financiële) positie van een moeder- en/of zustervennootschap hierbij nog een rol kan spelen. 

In eerdere publicaties is al eens gewezen op de effecten van de zgn. 403-verklaring van een moedermaatschappij, die ertoe kan leiden dat de moeder kan worden aangesproken voor de nakoming van de financiële verplichtingen van haar dochter(s), zoals bijv. de nakoming van een Sociaal Plan.
De ‘eventuele winstgevendheid’ van de moeder lijkt echter geen doorslaggevend effect te hebben op de vraag of de dochter met wie het financieel slecht gaat (1) mag reorganiseren, en (2) de hoogte van de ontslagvergoedingen.

Een tijd terug werd er in deze nieuwsbrief[1] al aandacht besteed aan de vraag of een verliesgevende dochteronderneming binnen een winstgevend concern mag reorganiseren. De Kantonrechter te Eindhoven oordeelde daarover over dat de financiële positie van de betreffende werkgever, onafhankelijk van het concern waarvan werkgever deel uitmaakt, leidend is, en achtte een grond voor personeelsinkrimping aanwezig.[2]
In een recente uitspraak van de Voorzieningenrechter Zwolle[3] kwam de vraag aan de orde of de verhouding van de moeder-dochtervennootschap van belang is voor de hoogte van de ontslagvergoeding.

Voorzieningenrechter Zwolle

In deze kwestie verzocht een aannemingsbedrijf, dat zich bezighoudt met de realisering van nieuwbouwprojecten de ontbinding van de arbeidsovereenkomsten van negen van haar werknemers, op grond van bedrijfseconomische redenen (financiële crisis). Werkgever overlegt hiertoe enkel haar eigen jaarrekeningen (en dus niet die van de moedermaatschappij), en stelt dat er geen financiële ruimte is voor toekenning van een ontslagvergoeding aan werknemers. De werknemers stellen zich echter op het standpunt dat de financiële positie van de moedermaatschappij in deze procedure betrokken moet worden. Volgens hen zijn er in 2008 forse aflossingen aan de moeder gedaan. Ook wordt de werkgever verweten geen gebruik te hebben gemaakt van de regeling werktijdverkorting (WVT).

Beoordeling

De kantonrechter oordeelt -op basis van de door werkgever overgelegde jaarstukken- dat de ontbinding vanwege de aangevoerde financiële noodzaak is gerechtvaardigd, en dat het aanvragen van WTV in deze zaak geen soelaas biedt. 
Vervolgens overweegt de kantonrechter, dat nu de oorzaak voor de ontbinding (bedrijfseconomische omstandigheden) in de risicosfeer van de werkgever ligt, het uitgangspunt is dat werknemer recht heeft op een vergoeding berekend volgens de neutrale kantonrechtersformule, d.w.z. C=1. Werkgever heeft –met een beroep op de door haar overgelegde jaarrekeningen- gesteld deze vergoeding niet te kunnen betalen. De kantonrechter acht het acceptabel dat de werkgever enkel haar eigen jaarrekeningen heeft overgelegd, en niet die van het concern. Hij overweegt dat er (1) geen 403-verklaring ligt (op grond waarvan aansprakelijkheid resp. een geconsolideerde jaarrekening mag worden verwacht),  en dat (2) niet de moeder- of zustervennootschap(pen), maar de werkgever zelf de wederpartij is van werknemer en uit dien hoofde tot betaling van een vergoeding verplicht. 
De kantonrechter acht de financiële relatie met de moeder- en zustervennootschappen (die blijkt uit de balansposten op- en schulden aan de groepsmaatschappijen) echter wel relevant voor de beoordeling van de vraag of werkgever een vergoeding kan betalen. De kantonrechter oordeelt dat -hoewel de werkgever daartoe juridisch gehouden was- een keuze heeft gemaakt om de verplichtingen naar de moedermaatschappij boven de onvermijdelijke ontslagkosten van haar eigen werknemers te stellen. Ondanks de zeer negatieve balans acht de kantonrechter daarom een ontslagvergoeding van tenminste het salaris over de opzegtermijn billijk. In plaats van de door werknemer gevorderde vergoeding van (bijna)  60.000,= bruto, wordt een bedrag van € 17.500,= bruto toegekend, hetgeen in termen van de kantonrechtersformule neerkomt op C = 0,3.
De door werkgever aangevoerde omstandigheid dat deze vergoedingen tot faillissement zouden kunnen leiden, maken het oordeel volgens de kantonrechter niet anders. Het belang van behoud van werkgelegenheid voor de overgebleven 2 werknemers is niet voldoende.

Conclusie

Alhoewel uit de motivatie van de kantonrechter volgt dat hij de onderlinge verhouding van moeder en dochter (en het feit dat het belang van de moeder boven dat van de werknemer is gesteld) wel relevant vindt, speelt de vraag of de moedermaatschappij al dan niet winstgevend is in deze zaak geen doorslaggevende rol. De kantonrechter acht het immers voldoende dat de financiële gegevens van de werkgever worden overgelegd, zodat niet eens kon worden beoordeeld hoe rooskleurig de positie van de moeder (en/of zusterbedrijven) wellicht nog was. Anders: Kantonrechter Amsterdam (JAR 2008/78) die van mening was dat in het geval de werkgever zich bij de afslanking beroept op mondiale ontwikkelingen, ook gekeken moest worden naar de mondiale financiële positie.

Hoe dan ook: U dient er bij reorganisatie rekening mee te houden dat werknemers ook de financiële positie van de aan de werkgever gelieerde ondernemingen in hun verweer zullen betrekken, en dat een rechter de onderlinge verhoudingen (en schuldposities) niet zomaar buiten beschouwing laat. Om daarop voorbereid te zijn, doet een werkgever er bij een voorgenomen reorganisatie wel goed aan om samen met zijn adviseur(s) ook de omstandigheden op concern-niveau te bekijken. 

 

[1] Zie artikel “Mag een verliesgevende onderneming binnen een winstgevend concern reorganiseren?” d.d. 26 februari 2009.
[2] [Rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven d.d. 18 december 2008 (LJN BJ0395).
[3] Voorzieningenrechter Rechtbank Zwolle d.d. 2 juni 2009 (LJN B19289)

Auteur