Geschil over de loop van een grens tussen twee erven betekent nog niet dat de grens onzeker is

woensdag, 27 juli 2016

Indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, kan ieder van de eigenaars vorderen dat de rechter deze grens in rechte vaststelt. Zo bepaalt artikel 5:47 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingangsvoorwaarde voor een rechterlijke grensbepaling is dan ook dat er sprake is van een onzekere grens tussen twee erven. Daarvan is niet reeds sprake als de eigenaars van twee naast elkaar gelegen erven beiden een andere erfgrens aanwijzen als de grens tussen hun erven. Zo verduidelijkte de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juli 2016.

Onzekere grens?

Het enkele feit dat de eigenaars van twee naast elkaar gelegen erven een geschil hebben over de loop van de erfgrens tussen die erven betekent nog niet dat sprake is van een onzekere grens als bedoeld in artikel 5:47 BW. Om te kunnen spreken van een onzekere grens in de zin van artikel 5:47 BW is ofwel noodzakelijk (i) dat geen van de eigenaren zich beroept op een bepaalde loop van de grens tussen de erven, ofwel (ii) dat – indien een van de eigenaren zich daarop wel heeft beroepen – de gestelde (loop van de) grens niet kan worden bewezen in een daartoe strekkend geding.(*1) Slechts in die gevallen kan de rechter de (onzekere) grens tussen de erven bepalen.

Indien een of meerdere eigenaars zich in een rechterlijke procedure beroepen op een bepaalde loop van de erfgrens en dus stellen dat de grens zeker is, dan zullen zij eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun stellingen ter zake te bewijzen (tenminste als het gedane bewijsaanbod daartoe aanleiding geeft). Pas indien zij daarin niet slagen, is sprake van een onzekere grens en kan de rechter de grens tussen de erven zelf bepalen. (*2)

In de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016 ging het om een erfgrensgeschil dat zich afspeelde op Sint-Maarten. Het Burgerlijk Wetboek van Sint-Maarten (BWSM) kent in artikel 5:47 een gelijkluidende bepaling als artikel 5:47 BW. (*3)

In deze zaak ging het om een geschil over de eigendom van een strook grond, zoals hieronder aangegeven in de bruine kleur:

Zowel A als B stelde zich op het standpunt dat de strook grond zijn eigendom was, waarbij A stelde dat de grens tussen zijn gronden en die van B lag aan de oostelijke grens van de strook grond en B stelde dat de grens tussen zijn grond en die van A lag aan de westelijke grens van de strook grond. De grenzen van de omstreden strook grond waren tussen partijen niet in geschil. 

Zonder partijen toe te laten om hun stellingen te bewijzen dat zij eigenaar zijn (geworden) van de omstreden strook grond oordeelt het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) dat sprake is van een onzekere grens als bedoeld in artikel 5:47 BWSM: 

‘2.6 Weliswaar blijkt uit het voorgaande dat sprake is van twee vaststaande, in de meetbrief no. 457 van 1996 nader omschreven lijnen, maar omdat het er twee zijn waarbij de ene partij uitgaat van de ene en de andere partij uitgaat van de andere lijn, en het perceel waarop die meetbrief betrekking heeft deel uitmaakt volgens de erven [betrokkene 1] van hun gronden en volgens de erven [betrokkene 2 en 3] van hun gronden, is er sprake van een onzekere grens’

Het Hof is vervolgens overgegaan tot grensbepaling op grond van artikel 5:47 BWSM. 

De Hoge Raad maakt onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bij artikel 5:47 BW korte metten met dit oordeel. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 5:47 BW blijkt namelijk duidelijk dat de enkele omstandigheid dat partijen een geschil hebben over de loop van de erfgrens, onvoldoende is om te oordelen dat sprake is van een onzekere grens als bedoeld in artikel 5:47 BW. Indien een of meerdere partijen stellen dat de grens zeker is, dan zullen zij – mits een daartoe strekkend bewijsaanbod is gedaan – in de gelegenheid gesteld moeten worden om de door hen gestelde (loop van de) zekere erfgrens te bewijzen. Het Hof had dit in het onderhavige geval ten onrechte niet gedaan.

Ook het oordeel van het Hof dat op grond van artikel 5:47 lid 2 BW(SM) het wettelijke vermoeden dat de bezitter ook eigenaar is niet geldt gaat in cassatie onderuit. De reden daarvoor is dat zolang niet is komen vast te staan dat sprake is van een onzekere grens als bedoeld in artikel 5:47 lid 1 BW(SM), de situatie uit artikel 5:47 lid 2 BW(SM) zich niet voordoet. In artikel 5:47 lid 2 BW(SM) is immers enkel bepaald dat ‘[i]n geval van onzekerheid waar de grens tussen twee erven ligt’ het wettelijk vermoeden dat de bezitter eigenaar is, niet geldt. Bij de beantwoording van de vraag of de grens zeker is of onzeker is, kan dan ook wel degelijk gewicht toekomen aan de bezitstoestand.

Meer informatie?

Heeft u vragen of opmerkingen? Bel of mail dan vrijblijvend met ondergetekende of met één van de andere advocaten van de sectie Vastgoed, Bouw & Overheid.

 

(*1) Zie in die zin bijvoorbeeld Hof 's-Gravenhage 26 juli 2011, LJN:BR3334; RVR 2011/106.
(*2) Zie Parl. Gesch. Boek 5 (T.M.), p. 197. 
(*3) De Hoge Raad overweegt in dat kader dat er geen grond bestaat om artikel 5:47 BWSM anders uit te leggen dan art. 5:47 BW.