Geen loonaanvulling bij "eigen schuld of toedoen" van de werknemer

zaterdag, 22 maart 2008

In juni 2006 stonden de kranten vol met de uitspraak van het hof in Arnhem dat een zieke werknemer geen loonaanvulling ontving omdat zijn arbeidsongeschiktheid (door de vele blessures die hij opliep tijdens het zaalvoetbal) zijn “eigen schuld” was. De werknemer heeft cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. Op 14 maart 2008 heeft de Hoge Raad in die zaak uitspraak gedaan.

De werknemer was in het verleden verschillende keren arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van blessures, opgelopen bij zaalvoetbal. De werkgever heeft hem al herhaaldelijk gevraagd om uit te kijken naar een minder risicovolle sport. Toen werknemer, chauffeur, opnieuw uitviel, betaalde de werkgever alleen nog het basisloon (70% van het loon) door en niet de in de CAO afgesproken aanvulling. De werkgever stelde zich op het standpunt dat zij van de loonaanvulling mocht afwijken omdat de arbeidsongeschiktheid het gevolg was van “eigen schuld of toedoen” van de werknemer. In de CAO staat vermeld dat de werkgever niet gehouden is de loonaanvulling te betalen in geval van “eigen schuld of toedoen” van de werknemer. 

Het hof in Arnhem stelt de werkgever in het gelijk. Volgens het hof is geen sprake van opzet, zodat de werkgever wel verplicht was 70% van het loon tijdens arbeidsongeschiktheid door te betalen. Het criterium in de CAO “eigen schuld of toedoen” is een lichter criterium. Volgens het hof is aan dat criterium voldaan. De werknemer wist dat zaalvoetballen een bovengemiddeld risico op arbeidsongeschiktheid met zich meebrengt en heeft nagelaten maatregelen te treffen om de arbeidsongeschiktheid te voorkomen.

Bij de invoering van de wettelijke bepaling over het doorbetalen van salaris (minimaal 70%) tijdens arbeidsongeschiktheid, zijn enkele voorbeelden genoemd, zoals arbeidsongeschiktheid door voetballen in het weekend of als gevolg van een wintersportvakantie. In die gevallen is geen sprake van “opzet” door de werknemer. Met andere woorden: de werkgever dient in het geval aan een werknemer die wegens een wintersportvakantie arbeidsongeschikt raakt een minimumaanspraak op loondoorbetaling (70%) te voldoen, tenzij de werknemer de wintersport heeft uitgeoefend met het oogmerk om arbeidsongeschiktheid teweeg te brengen.

De werknemer is het niet eens met de uitspraak van het hof in Arnhem en stelt cassatie in bij de Hoge Raad. Volgens de werknemer is het onaanvaardbaar om voor het uitsluiten of het beperken van de bovenwettelijke aanspraak op loondoorbetaling (het loon vanaf 70% tot 100%) een andere uitsluitingsgrond dan “opzet” te hanteren. De uitsluitingsgrond die in de CAO staat vermeld (“eigen schuld of toedoen”) is onaanvaardbaar. Volgens de werknemer biedt het criterium “eigen schuld” de werkgever de mogelijkheid om vergaand in de privésfeer van de werknemer in te grijpen. De werknemer refereert aan de arbeidsongeschiktheid als gevolg van ramadanvasten, complicaties ten gevolge van een cosmetische ingreep, ski-ongevallen etc.

De Hoge Raad overweegt in deze zaak dat het de CAO-partijen is toegstaan om de bovenwettelijke aanspraak (70-100%) van het loon tijdens arbeidsongeschiktheid naar eigen inzicht in te vullen. Deze vrijheid wordt wel begrensd door bijvoorbeeld het beginsel van gelijke behandeling.

Kortom, als werkgever staat het u vrij om in de individuele arbeidsovereenkomst, het personeelshandboek of in een CAO een uitsluitingsgrond of voorwaarden te stellen aan de aanspraken van de zieke werknemer op de zogenaamde bovenwettelijke loonaanvulling (dat wil zeggen het loon boven het wettelijke minimum van 70%). Zo kan schriftelijk overeengekomen worden dat arbeidsongeschiktheid als gevolg van  ‘schuld of toedoen’ van de werknemer geen recht geeft op de bovenwettelijke aanvulling.

Auteur