Geen additionele wetgeving voor franchisenemers

maandag, 19 mei 2014

Op 14 mei 2014 heeft minister Kamp van Economische Zaken een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin hij reageert op een selectie aan berichten, rapporten en andere zaken over de praktijk van franchising. Kamp geeft aan dat hij niet verwacht dat de positie van franchisenemers zal verbeteren door het invoeren van extra wetgeving. Hij is van mening dat het verbeteren van voorlichting via Ondernemersplein.nl meer perspectief biedt. Daarnaast bestaan er voldoende wettelijke regels om geschillen tussen franchisenemers en franchisegevers op te lossen.

Een franchiseovereenkomst heeft geen specifiek wettelijk regime. Doordat het een onbenoemde overeenkomst is, gelden de regels van het algemene contractenrecht in het Burgerlijk Wetboek. Binnen het mededingingsrecht worden franchisenemers en franchisegevers  bovendien gezien als onafhankelijke ondernemers dus de relatie tussen franchisegever en franchisenemers (en franchisenemers onderling) wordt in belangrijke mate ook beheerst door het mededingingsrecht. Vanuit diverse hoeken wordt gepleit om van de franchiseovereenkomst een benoemde overeenkomst te maken. De voorstanders hiervan willen een wettelijke regeling die beter rekening houdt met de informatiebehoefte van franchisenemers in de precontractuele fase. Dit voorstel lijkt op de wetgeving in onder andere België en de Verenigde Staten.

In de praktijk blijkt onvrede te bestaan over contractueel vastgelegde verplichtingen van de franchisenemer, over de ongelijkwaardigheid tussen franchisegever en franchisenemer en over prognoses die te rooskleurig worden voorgesteld. Vaak komen franchisenemers voor onaangename verrassingen te staan wanneer zij zich als aspirant-franchisenemer onvoldoende op de hoogte stellen van hun contractuele rechten en verplichtingen. De oorzaken die hier aan ten grondslag kunnen liggen zijn: een misplaatst gevoel van vertrouwen, een te coöperatieve houding van aspirant-franchisenemers en tot slot het feit dat de aspirant-franchisenemers wel gunstige voorwaarden voor zichzelf willen bedingen, maar het niet kunnen.

Voor de eerste twee groepen bestaat de oplossing volgens minister Kamp uit het beter voorlichten op Ondernemingsplein.nl. De derde groep is gebaat bij het vaker inwinnen van juridisch en/of bedrijfseconomisch advies. De positie van de franchisenemers zal echter pas beter worden als zij een kritische grondhouding ten aanzien van de franchisegever aannemen en goede voorwaarden voor zichzelf bedingen in de franchiseovereenkomst. Wetgeving kan daarbij het tegenovergestelde effect hebben, omdat het een misplaatst gevoel van vertrouwen kan wekken onder franchisenemers dat hun belangen door de overheid geborgd zijn. Volgens de minister zal zonder kritische grondhouding van de franchisenemer een ‘wettelijk vangnet’ hen immers niet behoeden voor het aangaan van een onvoordelige overeenkomst.