Gedwongen aandelenoverdracht in kort geding: vordering afgewezen

donderdag, 7 maart 2013

Op basis van de wettelijke geschillenregeling kan de rechter in bepaalde gevallen een aandeelhouder dwingen om zijn aandelen over te dragen aan zijn mede aandeelhouder(s), indien door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een recente uitspraak bevestigd dat een dergelijke gedwongen overdracht slechts in uitzonderlijke gevallen in kort geding kan worden geeffectueerd.

De wettelijke geschillenregeling is niet erg populair in de praktijk. Er wordt weinig gebruikt gemaakt van deze regeling, omdat de procedure in de regel kostbaar is en zeer lang kan duren. Reden waarom de wetgever de geschillenregeling per 1 oktober 2012 heeft aangepast en versoepeld.Om tot een snel resultaat te komen werd in de praktijk ook wel geprobeerd om de gedwongen overdracht in een kort geding procedure te bewerkstelligen, zo ook in onderhavig geval bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. De rechter overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis en de bestaande jurisprudentie een gedwongen overdracht van aandelen/uitstoting van een aandeelhouder een verstrekkende maatregel is, die slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld wanneer door de (min of meer voortdurende) gedragingen van een aandeelhouder in zijn hoedanigheid van aandeelhouder het functioneren en het voortbestaan van de vennootschap in gevaar worden gebracht, de werkgelegenheid van werknemers dreigt weg te vallen of een impasse moet worden doorbroken. Indien daaromtrent een geschil bestaat en zich een spoedeisende situatie voordoet, zou, na afweging van de in aanmerking komende belangen, een voorlopige voorziening gerechtvaardigd kunnen zijn, aldus de rechter. De aan het adres van de betreffende aandeelhouder gemaakte verwijten moeten in dat geval wel in hoge mate aannemelijk zijn.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam is in de betreffende zaak onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. Er was tussen partijen niet in geschil dat zij in een impasse verkeren en dat die impasse ten behoeve van de continuïteit van (de bedrijfsvoering van) de vennootschap moest worden doorbroken. Er kon echter niet in genoegzame mate worden vastgesteld dat die impasse enkel het gevolg is van (min of meer voortdurende) gedragingen van gedaagde in haar hoedanigheid van aandeelhouder. De jegens gedaagde gemaakte verwijten lijken voornamelijk betrekking te hebben op het functioneren van gedaagde als bestuurder van de vennootschap. De thans ontstane situatie lijkt derhalve niet onder het toepassingsbereik van de geschillenregeling te vallen. Tegen de achtergrond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter de gevorderde overdracht van aandelen niet toewijsbaar.

(Rechtbank Rotterdam, 16 januari 2013, LJN BZ0080)