Flitsscheiding: storm in een glas water

dinsdag, 13 juni 2006

Op 1 april 2001 is de Wet Openstelling Huwelijk (wet van 21 december 2000 stb. 2001, 9) in werking getreden. Gevolg daarvan is dat personen van hetzelfde geslacht met elkaar in het huwelijk kunnen treden. Artikel 1:30 lid 1 BW werd gewijzigd, zodat ook twee personen van gelijk geslacht een huwelijk kunnen aangaan. Daarmee neemt Nederland in de wereld een unieke positie in. Gevolg van de Wet Openstelling Huwelijk is ook geweest dat gehuwden via een omweg zonder tussenkomst van een rechter en op korte termijn kunnen scheiden. Mr. Angela Sluijs schreef daarover een artikel in het Advocatenblad, dat is verschenen op 27 juli 2001. Toen de media in de eerste helft van augustus van dat artikel kennis namen en op 16 augustus 2001 daarover publiceerden, liep het storm. Inmiddels is die overgeraasd.

Wettelijke regeling
De Wet Openstelling Huwelijk voorziet enerzijds in een wijziging van die artikelen van Boek 1 BW, die een huwelijk slechts mogelijk maakten voor twee personen van verschillend geslacht. De mogelijkheid een partnerschap te doen registreren, ook door personen van verschillend geslacht, is in het burgerlijk wetboek opgenomen met ingang van 1 januari 1998. Met ingang van 1 april 2001 is artikel 1:77a aan het Burgerlijk Wetboek toegevoegd, dat de omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap regelt en artikel 1:80f, dat de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk regelt. Daardoor werd het indirect mogelijk een huwelijk buiten de rechter om te beëindigen. 

Blijkens artikel 1:77a BW is voor de omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap slechts vereist dat de echtelieden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand verzoeken een akte van omzetting op te maken. Op het moment dat die akte wordt opgemaakt, eindigt het huwelijk en start het geregistreerd partnerschap. Artikel 1:77a lid 3 BW bepaalt, dat de omzetting geen wijziging brengt in de al dan niet bestaande familierechtelijke betrekkingen met kinderen, die voor de omzetting zijn geboren. Verder hoeft er niets te worden geregeld, want voor het overige zijn de rechtsgevolgen van een huwelijk en een geregistreerd partnerschap gelijk. 

Artikel 1:80c BW kent reeds sedert 1 januari 1998 twee manieren om het geregistreerd partnerschap te laten eindigen. Dat kan (zoals bij een huwelijk) gebeuren ten overstaan van de rechter (artikel 1:80e lid 1 verklaart op de ontbinding van een geregistreerd partnerschap van toepassing de artikelen van titel 9 afdeling 2 omtrent echtscheiding, behoudens de artikelen die zien op echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek) of met wederzijds goedvinden. Een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding kan alleen via de rechter lopen. Wetsvoorstel nr. 19 242, dat een gemeenschappelijk verzoek via een formulier en zonder verplichte procesvertegenwoordiging mogelijk maakte, werd op 20 maart 1990 door de Eerste Kamer verworpen. Daarna strandden nog twee andere pogingen om de verplichte procesvertegenwoordiging af te schaffen.

Beëindiging van een geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden geschiedt door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een verklaring, waaruit blijkt dat en op welk tijdstip de partners omtrent de beëindiging van het geregistreerd partnerschap een overeenkomst hebben gesloten. Die verklaring moet door beide partners en door één of meer advocaten of notarissen worden ondertekend. 

In de verklaring behoeft derhalve slechts te staan dat en op welk tijdstip partijen de betreffende overeenkomst hebben gesloten. De overeenkomst hoeft niet aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te worden overgelegd. Wel is in de wet (artikel 1:80d lid 1 BW) opgenomen wat er in ieder geval in de overeenkomst moet staan: de verklaring van beide partners dat hun geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is en dat zij het willen beëindigen. Verder kan de overeenkomst (evenwel niet op straffe van nietigheid!) betreffen, de alimentatie, het huurrecht van de partnerschapswoning of het gebruik van de eigen woning en de inboedel, de verdeling van de partnerschapsgemeenschap of verrekening van partnerschapsvoorwaarden en de verevening of verrekening van pensioenrechten. Binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst moet de verklaring worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 

Omzetting en beëindiging
Zoals prof. mr. M.J. van Mourik dat op grappige wijze omschrijft (WPNR 01/6450, pagina 605 en 606), is het mogelijk om op één dag successievelijk ongehuwd, gehuwd, geregistreerd en weer ongehuwd te zijn. Wel verdient het in dat geval aanbeveling tijdig een afspraak te maken met de ambtenaar van de burgerlijke stand, omdat die dan immers op één dag drie keer in actie moet komen. Hij moet de akte als bedoeld in artikel 1:67 lid 2 BW, waarbij hij zelf verklaart dat partijen door de echt aan elkaar zijn verbonden, opmaken. Vervolgens moet hij de akte van omzetting van een huwelijk naar een geregistreerd partnerschap (artikel 1:77a BW) opmaken. Daarna moet hij de door beide partijen en een advocaat of notaris ondertekende verklaring (artikel 1:80c BW) inschrijven, waaruit blijkt dat de partners een overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat hun geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht en dat zij dat partnerschap daarom willen beëindigen. Verder kunnen zij het beste enkele weken voor hun huwelijk een afspraak maken met een advocaat of een notaris, opdat die alvast de betreffende overeenkomst redigeert. 

Voor het aangaan van een huwelijk kent de wet een wachttijd van veertien dagen (artikel 1: 62 BW). De beëindiging van een huwelijk kan sneller. Daarvoor hoeft slechts een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding bij de Rechtbank te worden ingediend. Normaliter zal het ongeveer vier weken duren, voordat de Rechtbank de echtscheiding uitspreekt. Als daar belang bij is, zijn de meeste (en misschien wel alle) rechtbanken bereid binnen enkele dagen (of bij een zeer groot belang: binnen één dag) de echtscheiding uit te spreken. Die echtscheiding kan dan na het tekenen van de akte van berusting onmiddellijk worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Via een sluiproute is datzelfde mogelijk buiten de rechter om. Dan moet het huwelijk worden omgezet in een geregistreerd partnerschap en het geregistreerd partnerschap worden beëindigd met wederzijds goedvinden, door een door minimaal één advocaat of notaris ondertekende verklaring en inschrijving daarvan. 

Impulsechtscheidingen
Op 21 augustus 2001 zijn er kamervragen gesteld over de gevolgen van flitsscheidingen. Staatssecretaris Kalsbeek van Justitie heeft die vragen op 10 september 2001 beantwoord. Vragen en antwoorden zijn gepubliceerd in NJB, afl. 36 d.d. 12 oktober 2001, pagina 1783 en 1784. Eén van die vragen was of de staatssecretaris de vrees van de drie kamerleden, deelt, dat een echtscheiding binnen enkele uren kan leiden tot impulsechtscheidingen en anderszins ook nadelige gevolgen kan hebben. De staatssecretaris deelt die vrees niet en verwijst daartoe naar de door een advocaat of notaris in acht te nemen zorgvuldigheid bij het mede ondertekenen van de verklaring en bij de beoordeling van de overeenkomst. Daaraan wordt toegevoegd dat het voordeel van deze (door mij zo genoemde) sluiproute is, dat geen gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding behoeft te worden ingediend en dus niet gewacht hoeft te worden op de beslissing van de rechter. Opgemerkt wordt bovendien dat gemeenschappelijke verzoeken tot echtscheiding vrijwel steeds administratief afgedaan worden. 
De sluiproute van scheiding door omzetting van het huwelijk naar een geregistreerd partnerschap en beëindiging van dat partnerschap loopt eigenlijk parallel met de beëindigingsprocedure van een huwelijk via een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding. In beide gevallen is een advocaat (via de sluiproute kan dat ook zijn: een notaris) nodig. In beide gevallen kan de scheiding snel een feit zijn en in beide gevallen is het mogelijk dat de gevolgen van de scheiding niet worden geregeld. De advocaat (of notaris) zal er in beide gevallen op toezien dat partijen niet impulsief een scheidingsregeling treffen. De sluiproute biedt dienaangaande geen voordelen. Datzelfde geldt voor het tijdsbeslag. Zonodig kan ook via de rechter een snelle scheiding op gemeenschappelijk verzoek worden verkregen. Het enige voordeel, dat de sluiproute biedt, is dat er geen griffierecht hoeft te worden betaald. Dat scheelt (sedert 13 oktober 2001) ƒ 337,00, terwijl on- en minvermogenden kwijtschelding of vermindering van het griffierecht kunnen verkrijgen. 

Blijkens de antwoorden van de staatssecretaris was dat voordeel in de periode van 1 april 2001 tot en met 31 juli 2001 voor weinig mensen reden de sluiproute te kiezen. In de steden Amsterdam, Den Haag en Rotterdam zijn in die periode 33 huwelijken omgezet in een geregistreerd partnerschap. In zes gevallen werd vervolgens binnen twee tot drie weken na de omzetting het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden beëindigd. Vermoedelijk zullen kort na de media-aandacht, die in augustus aan de flitsscheidingen is gegeven, deze cijfers iets zijn opgelopen. De staatssecretaris zal de komende tijd de aantallen omzettingen blijven volgen.

Eén groot nadeel
Zelden is het doel van scheidende echtelieden slechts de ontbinding van hun huwelijk. Zij willen de gevolgen van die ontbinding geregeld hebben. Daarom stappen steeds meer scheidende echtelieden naar een scheidingsbemiddelaar. Hij of zij, dan wel de voor partijen optredende advocaten, zullen primair trachten niet alleen overeenstemming over de gevolgen van een scheiding te bereiken, maar die overeenstemming ook op zorgvuldige wijze neer te leggen in een convenant. Kan er geen overeenstemming worden bereikt, dan zal de rechter uitspraak doen over de diverse geschilpunten. Partijen beschikken vervolgens over een executoriale titel in de vorm van de echtscheidingsbeschikking, waarin ook op nevenvoorzieningen is beslist. In veel gevallen blijkt het wel mogelijk algehele overeenstemming te bereiken. Dan zal bij gemeenschappelijk verzoekschrift aan de rechter worden gevraagd de overeenstemming, die partijen met betrekking tot de diverse gevolgen van hun scheiding hebben bereikt, in de beschikking vast te leggen. Artikel 819 Rv biedt die mogelijkheid expliciet. Sommige rechtbanken weigeren desalniettemin (en ten onrechte!) de bereikte overeenstemming met betrekking tot specifieke voorzieningen in de beschikking op te nemen. Daaraan zal ik aandacht besteden in het artikel "Convenant, beschikking en executie”, dat in het volgende nummer van EB zal worden gepubliceerd. 

Als partijen buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd en in hun notariële akte van huwelijkse voorwaarden geen verrekenbeding hebben opgenomen, geen gemeenschappelijke goederen hebben verworven noch pensioenrechten behoeven te worden verevend of verrekend en als die partijen bovendien geen kinderen hebben en in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, maakt het voor hun rechtspositie weinig uit of zij de sluiproute kiezen, dan wel een “kaal” gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding indienen. Wel blijft er enige onzekerheid bestaan. Wanneer één der partijen zich na enkele jaren genoodzaakt ziet een verzoek tot alimentatie in te dienen, zou die alimentatie dan bij toewijzing voor onbeperkte duur zijn. Artikel 1:157 lid 4 BW, dat de alimentatieduur wettelijk beperkt, spreekt over 12 jaar na de datum van inschrijving van “de beschikking” in de registers van de burgerlijke stand. Er is en er wordt in dit geval geen beschikking ingeschreven. Bovendien zijn blijkens artikel 1: 80d lid 2 BW op de beëindiging van het geregistreerd partnerschap wél de artikelen 1: 159 lid 1 en 3 en 1: 160 BW van toepassing verklaard, maar is geen werking gegeven aan artikel 1: 157, dus ook niet artikel 1: 157 lid 4 BW. 

In alle gevallen, waarin een regeling nodig is met betrekking tot kinderen, alimentaties, verdelingen of verrekeningen, moet het partijen zeker worden afgeraden de sluiproute te kiezen. In dat geval hebben zij er immers belang bij dat de gevolgen van hun scheiding niet alleen in een overeenkomst worden vastgelegd (verwezen wordt naar het themanummer EB over het (echt)scheidingsconvenant d.d. juli/augustus 2001), maar dat de rechter bovendien die afspraken voor executie vatbaar doet zijn. De gedragsregels voor advocaten eisen zelfs dat aan de rechtbank een executoriale titel wordt gevraagd met betrekking tot overeengekomen alimentaties. Die mogelijkheid bestaat via de sluiproute niet, tenzij aan de rechter in een aparte procedure wordt gevraagd de gevolgen van de echtscheiding/ontbinding van het geregistreerd partnerschap vast te leggen c.q. aan een notaris wordt gevraagd van het scheidingsconvenant een notariële akte op te maken. Dan is het natuurlijk veel praktischer de rechter te vragen naast de echtscheiding ook nevenvoorzieningen in de beschikking op te nemen. 

Afrondend zou ik nog het volgende willen opmerken. In de periode 1998 tot en met 2000 zijn er gemiddeld in Nederland 85.950 huwelijken per jaar gesloten. Daartegenover werden gemiddeld slechts 3.576 partnerschappen per jaar geregistreerd, waarvan 1.475 partnerschappen tussen een man en een vrouw. Naar verwachting zal het aantal huwelijken vanaf 1 april 2001 met zo'n tweeduizend stuks stijgen en blijft er een geringe behoefte aan geregistreerd partnerschap over. De staatssecretaris van Justitie heeft in de memorie van antwoord met betrekking tot de Wet openstelling huwelijk (kamerstukken I 2000/2001 26672 pagina 9 en 10) aangekondigd dat binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de wet geëvalueerd zal worden of er na openstelling van het huwelijk nog behoefte blijft bestaan aan het instituut geregistreerd partnerschap. Mocht dat niet het geval zijn (en dat valt te verwachten), dan verdwijnt daarmee de sluiproute impliciet uit de wetgeving.