Finale kwijting treft ook het concurrentiebeding

dinsdag, 29 september 2009

Wil een (ex) werkgever aanspraak kunnen blijven maken op een overeengekomen concurrentiebeding, bij een beëindiging van een arbeidsovereenkomst waaraan een beëindigingsovereenkomst (vaststellingsovereenkomst) ten grondslag ligt met daarin een bepaling over finale kwijting, is het raadzaam in die overeenkomst op te nemen dat zij de werknemer wenst te houden aan het concurrentiebeding. 

Aan de situaties waarin een (ex) werkgever geen aanspraak meer toe komt op een overeengekomen concurrentiebeding, is onlangs in de jurisprudentie weer een toegevoegd.

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft zich onlangs gebogen over een discussie tussen werkgever en werknemer met betrekking tot het effect van de bepaling omtrent finale kwijting in een beëindigingsovereenkomst (vaststellingsovereenkomst) waarin niets over een concurrentiebeding was opgenomen.

Casus

In de beëindigingsovereenkomst was naast de financiële afspraken, een geheimhoudingsbeding en een regeling over het getuigschrift opgenomen maar geen bepaling over het handhaven van het concurrentiebeding.
Wel was er een uitvoerige bepaling over finale kwijting opgenomen met de toevoeging dat de bedoeling van deze finale kwijting is dat partijen na uitvoering van de afspraken in deze vaststellingsovereenkomst eens en voor al ook op het punt van hun mogelijke rechten en verplichtingen juridisch en feitelijk van elkaar afscheid nemen.
Werknemer vond werk bij een concurrent en de ex werkgever wenste met een beroep op het concurrentiebeding werknemer de indiensttreding bij de concurrent te verbieden.
Volgens het Hof onterecht.

Visie van het Hof

De uitleg van de inhoud en de strekking van de beëindigingsovereenkomst (vaststellingsovereenkomst) moet aldus het Gerechtshof plaatsvinden met inachtneming van de regel dat, hoewel de tekst van de overeenkomst een eerste aanknopingspunt is, waarbij de aard van de vaststellingsovereenkomst al meebrengt dat groot gewicht moet worden toegekend aan de bewoordingen daarvan, het uiteindelijk gaat om datgene wat partijen hebben bedoeld en wat ze over en weer omtrent elkaars bedoelingen redelijkerwijs hebben mogen begrijpen.

Gelet op de bepaling omtrent finale kwijting en het feit dat werknemer al gerede tijd arbeidsongeschiktheid was en geen juridische bijstand had, brengt mee dat werkgever er voor had moeten zorgen dat er geen enkele onduidelijkheid zou (kunnen) ontstaan over wat wel en niet viel onder de in de beëindigingsovereenkomst opgenomen finale kwijting. Het opzettelijk niet vermelden van het concurrentiebeding om geen slapende honden wakker te maken komt voor rekening en risico van de werkgever. Gelet op alle omstandigheden van het geval heeft de werknemer kunnen en mogen begrijpen dat door werkgever geen beroep meer zou worden gedaan op het concurrentiebeding.

Indien een werkgever hecht aan het concurrentiebeding had het op haar weg gelegen om in de vaststellingsovereenkomst aan de werknemer kenbaar te maken dat zij hem wenste te houden aan het concurrentiebeding.

Conclusie

Weliswaar is niet in elke beëindigingsovereenkomst de bepaling omtrent finale kwijting zo uitvoerig als in deze casus en is er meestal wel sprake van juridisch advies en ook niet altijd sprake van arbeidsongeschiktheid, niettemin loopt de werkgever gelet op deze uitspraak, het risico geen aanspraak meer te kunnen maken op het concurrentiebeding wanneer zij niet in de overeenkomst, waarin een bepaling omtrent finale kwijting staat, expliciet een bepaling heeft opgenomen dat zij werknemer wenst te houden aan het concurrentiebeding.

Auteur